Actiepunten Klimaatpartij

Concept bedoeld voor de bijeenkomst van 25 augustus 19.00 uur in Muntmeesters. Leidsekade 117.

1. Actie tegen klimaatverandering kan niet zonder actie tegen armoede en discriminatie en actie voor solidariteit en gelijkheid.
De schadelijke gevolgen van klimaatverandering treffen met name de mensen die in armoede leven. Ageren tegen klimaatverandering is een kwestie van solidariteit.
De motor van klimaatverandering is economische groei die aangejaagd wordt door een maatschappij die gebaseerd is op ongelijkheid en competitie.

2. Om voldoende politiek draagvlak te creëren voor actie tegen klimaatverandering is het noodzakelijk te worden gesteund ook en met name door inwoners van Utrecht die de kosten moeilijk kunnen opbrengen van maatregelen die nodig zijn om de uitstoot van CO2 terug te dringen. Om die steun te krijgen is financiële compensatie nodig, speciaal voor mensen met een smalle beurs.
In de praktijk worden de kosten van milieumaatregelen, bijvoorbeeld extra heffingen, afgewenteld op de minst verdienenden. Voor politieke partijen die niets moeten hebben van een effectief milieu- en klimaatbeleid is het om die reden heel eenvoudig om mensen op te zetten tegen milieu- en klimaatbeleid.

3. Het beleid om betaalbare woningen te slopen of zodanig te renoveren dat ze onbetaalbaar worden voor mensen met een smalle beurs moet stoppen. Dat beleid is om twee redenen slecht. Het is asociaal omdat het ten koste gaat van mensen die op een goedkope/sociale huurwoning zijn aangewezen én het is een verkwisting van grondstoffen, energie en CO2.
Sinds 2001 is het moedwillig beleid om het aandeel sociale huur in de stad terug te dringen (en de woningnood voor mensen met weinig geld erger te maken!) om daardoor meer woningen te kunnen bouwen die veel geld opbrengen voor projectontwikkelaars/corporaties én de stad inwoners oplevert die meer geld uit kunnen geven en meer belasting kunnen betalen. Ook met het oog op de opvang van vluchtelingen zijn veel meer betaalbare huurwoningen nodig. Utrechtse woningzoekenden die op sociale huur zijn aangewezen moeten niet hoeven te klagen dat de huisvesting van vluchtelingen ten koste gaat van hen.

4. Het beleid om nog meer kantoren en hoogwaardige dienstverlening naar Utrecht te halen moet stoppen. Dat beleid maakt dat er voortdurend gesloopt en gebouwd wordt, dat er steeds meer autoverkeer komt (o.a. woon-werkverkeer), dat de woningen voor Utrechters onbetaalbaar worden en bedrijven die werk bieden voor niet-hoogopgeleide Utrechters uit de stad verdwijnen. Utrecht hoeft geen 400.000 inwoners te hebben, Utrecht moet leefbaar blijven.
Het beleid om meer kantoren en hoogwaardige dienstverlening naar Utrecht te halen is voornamelijk bedoeld om bouwend nederland aan omzet te helpen en voor de gemeente om aan de grond te kunnen verdienen. Het voortdurend slopen, bouwen en al het extra autoverkeer draagt bij aan steeds meer CO2-uitstoot.

5. Het gemotoriseerde verkeer in de stad is een belangrijke bron van CO2-uitstoot en zorgt bovendien voor ernstige luchtverontreiniging. Utrecht moet daarom autoluw worden. Wie in Utrecht werkt en winkelt of de Jaarbeurs bezoekt maar er niet woont moet met het OV komen of met de fiets en niet met de auto. Het parkeren in de stad moet voor die categorie onbetaalbaar worden en de toegang tot de stad tijdens de spits bemoeilijkt (verkeerslichtdosering).
De maatregelen die de gemeente neemt (knips) treffen vooral de Utrechters zelf, terwijl die weinig kilometers afleggen en het grootste probleem niet zijn. Die maatregelen leiden bovendien tot heel veel omrijden waardoor de CO2-uitstoot en de luchtverontreiniging juist toenemen.

6. De kleine milieuzone (binnenstad + stationsgebied) moet afgeschaft worden. Het positief effect op de luchtkwaliteit kon niet aangetoond worden. De milieuzone leidt tot veel omrijden en dus voor extra luchtverontreiniging op wegen die voor dat omrijden worden gebruikt. De bebouwde kom van Utrecht moet één grote milieuzone worden waarin alle auto’s, vrachtwagens, scooters en brommers (oud of nieuw, lpg, benzine of diesel) geweerd worden die niet aan strenge eisen voldoen wat betreft de uitstoot van NO2, roet en van CO2 (!). De kleine milieuzone is door de gemeente alleen maar bedacht om de groei van het autoverkeer niet te hoeven afremmen.
Bouwjaar en euroklasse zeggen weinig over de uitstoot. Slecht onderhouden nieuwe auto’s kunnen veel smeriger zijn dan goed onderhouden oude auto’s en auto’s die veel kilometers maken vervuilen meer dan auto’s die af en toe worden gebruikt. Oude auto’s kunnen van filters worden voorzien of van een nieuwe motor. Of voertuigen aan de eisen voldoen kan vastgesteld worden door APK-garages. Handhaving dient plaats te vinden door controles uit te voeren langs de weg en stinkende voertuigen aan te houden en de bestuurders daarvan te verbaliseren. Het vernietigen van oudere auto’s en het vervangen daarvan door nieuwe auto’s is een verkwisting van grondstoffen, energie en CO2. De overgang op elektrische auto’s is geen optie, want echt groene elektriciteit is en blijft schaars en accu’s vreten schaarse grondstoffen.

7. De ruimte en het grondbeslag voor het autoverkeer in de stad moet teruggedrongen worden. De Noordelijke Randweg Utrecht moet niet “opgewaardeerd” worden en moet onaantrekkelijk worden voor autoverkeer dat in Utrecht niets te zoeken heeft (doorgaand verkeer A2 – A27). Minder asfalt voor het autoverkeer is goed tegen opwarming, goed om regenval te verwerken, goed voor bomen en goed voor voetgangers en spelende kinderen. Haastige fietsers moeten weer op de rijweg kunnen fietsen en auto’s moeten zich daaraan aanpassen. In de hele stad zijn auto’s ‘te gast’ en mogen nergens harder dan 30 km/uur. Er moeten juist meer in plaats van minder verkeerslichtinstallaties komen voor veilig oversteken en afremmen van het verkeer op de rijweg.

8. Utrecht moet veel zuiniger zijn met zijn groen en zijn bomen. Groen en bomen zorgen voor rust, schaduw en natuur en nemen CO2 op. Vooral grote bomen zijn nodig, maar de gemiddelde leeftijd van bomen neemt in Utrecht door de voortdurende (wegen)bouwwoede af (ligt op ca. 32 jaar). Niet alleen moet bomen meer onverharde ruimte hebben, kapvergunningen moeten slechts met grote terughoudendheid verleend worden. De praktijk is helaas dat er zelden of nooit een kapvergunning geweigerd wordt (de meeste aanvragen zijn van de gemeente zelf). Het terugdringen van het grondbeslag voor het autoverkeer moet ten goede komen aan groen, volkstuinen en speelgelegenheid.

9. De stadsverwarming in Utrecht moet afgebouwd worden. Er gaat heel veel energie verloren door het transport van heet water door de hele stad. Toen dat hete water nog vrijkwam bij de opwekking van elektra was dat nog niet zo’n probleem (anders werd het op het kanaal geloosd), maar inmiddels komt de elektra vaak van elders en is er geen ‘restwarmte’ meer. Het feit dat Eneco van plan is om biomassa te gaan verstoken voor de stadsverwarming is een extra reden om een punt te zetten achter de stadsverwarming. Biomassa verstoken is een aanslag op de natuur en zorgt voor veel CO2-uitstoot.

10. Utrecht moet er niet op uit zijn om zoveel mogelijk evenementen naar Utrecht te halen. Niet alleen kost het handen vol geld, ze zijn ook een aanslag op parken, zorgen voor veel extra autoverkeer en zijn een aanslag op de leefbaarheid en de rust van omwonenden. Utrecht moet om dezelfde reden het toerisme niet willen aanzwengelen en woningverhuur aan toeristen tegenhouden (jaagt bovendien de prijs van woningen op). Utrecht moet een stringenter horecabeleid en overlast beleid hebben, zodat er ook rustig gewoond kan worden in gemengde gebieden (binnenstad en routes naar naar de binnenstad).

11. Voor extra armoedebestrijding en een sociaal klimaatbeleid is geld nodig. Dat moet beschikbaar komen door te bezuinigen op dure prestige projecten, infrastructuur voor het autoverkeer, op externe adviesbureaus, communicatie en woordvoering. De OZB-bijdrage van de gemeente aan het Ondernemersfonds moet geschrapt worden want daarvan profiteren voornamelijk de grootste ondernemers en geld van dat fonds komt ook terecht bij evenementen die wij niet moeten willen. Het aantal interne of externe woordvoerders en communicatie deskundigen en het aantal ingeschakelde adviesbureaus moet teruggebracht tot nul. Inwoners van Utrecht zitten niet te wachten op propaganda. Ambtenaren en wethouders die voor hun taak berekend zijn hebben geen woordvoerders nodig.

12. Er moet een totaal verbod komen op vuurwerk, ook tijdens de jaarwisseling. Vuurwerk is een gigantische bron van luchtverontreiniging en lawaai.

 

 

____

Wat heeft GroenLinks sinds 2006 in Utrecht bereikt?

De Klimaatpartij is in 2015 opgericht. Een belangrijke reden daarvoor is dat politieke partijen in Utrecht het laten afweten als het gaat om het klimaat en de luchtkwaliteit. Alleen de Dierenpartij maakt zich er druk om.

Deze kritiek betreft met name GroenLinks omdat GroenLinks landelijk wél blijk geeft van goeie standpunten maar daar in de gemeente niet haar handelt omdat deelname aan het college kennelijk hoe dan ook prioriteit heeft.

GroenLinks zit met een korte onderbreking vanaf 2006 in het college. De verkiezingsprogramma’s en de voornemens voor de toekomst daar is niet zoveel mee mis, maar het gaat om de besluiten die genomen zijn en om wat er wel of niet is bereikt.

GroenLinks mocht in 2006 meedoen van de PvdA op voorwaarde dat GrL in zou stemmen met de reusachtige fly-over over het 24 Oktoberplein waardoor de capaciteit voor het autoverkeer uit de regio bestemming binnenstad en stationsgebied sterk kon toenemen.

GroenLinks was ook akkoord met de uitbreiding van het Europaplein (veel extra rijstroken) die als doel had het autoverkeer in en uit de stad belangrijk te faciliteren. Hetzelfde geldt voor de Majellaknoop, het Anne Frankplein en het 5 Meiplein.

De EU-normen voor luchtkwaliteit (NO2) die in 2010 moesten worden gehaald daar werd in 2016 nog steeds niet aan voldaan. Maar nog steeds worden er, met instemming van GrL, parkeerplaatsen bij gebouwd. Nota bene naast het centraal station (parkeergarage 60 miljoen).

GrL heeft zich sinds 2006 niet verzet tegen het slopen van sociale huurwoningen in Utrecht om grotendeels plaats te maken voor duurdere huur en koop. Een beleid bedoeld om mensen die wat meer verdienen Utrecht binnen te halen. Ten koste uiteraard van minima die steeds langer op een woning moeten wachten.

GrL heeft vanaf 2006 meegewerkt aan de uitvoering van het structuurplan stationsgebied, waardoor, volkomen in strijd met het eerder gehouden referendum, de hoogbouw variant is en wordt gerealiseerd in plaats van de groene variant en het totale winkelvloeroppervlak enorm is toegenomen (verdubbeling Hoog Catharijne) ten koste van de kleinere winkeliers.

Wat betreft het terugdringen van de uitstoot van CO2 is in Utrecht sinds 2006 zo goed als niets bereikt. Er wordt heel veel gepraat (‘stadsgesprekken’), maar de daling van de CO2-uitstoot mag geen naam hebben en wordt bovendien zeer geflatteerd voorgesteld.

GrL heeft in het verleden vaak propaganda gemaakt met het voornemen om een eind te maken aan het parkeren langs de grachten in de binnenstad en het verminderen van het aantal parkeerplaatsen in de binnenstad. Daar is sinds 2006 niets van terecht gekomen.

De belangrijkste reden voor het niet afnemen van de CO2-uitstoot is het nog steeds groeiende autoverkeer in Utrecht. In grote steden is het autoverkeer goed voor ca. 30% van de CO2-uitstoot. GrL, althans wethouder Van Hooijdonk, is een voorstander van de ‘opwaardering’ van de Noordelijk Randweg Utrecht langs Overvecht. In gewoon Nederlands: een snelweg erbij. Rakelings langs de woonbebouwing.

GrL heeft zich sterk gemaakt voor een kleine milieuzone die alleen diesels tm euroklasse 2 weert en geen enkel aantoonbaar effect bleek te hebben (TNO-evaluatie). Een maatregel die vooral gebruikt is om niets te hoeven doen tegen de groei van het autoverkeer in de stad en veel mensen juist met een smalle beurs op kosten heeft gejaagd.

De gemiddelde leeftijd van bomen gaat in Utrecht nog steeds achteruit doordat er zelden een aanvraag om bomen te mogen kappen geweigerd wordt. De meeste aanvragen komen van de gemeente zelf. GroenLinks wethouder Robert Giesberts bestond het zelfs voor te stellen de vergunning om te kappen af te schaffen.

GrL heeft zich niet verzet tegen de kapvergunning voor 600 monumentale bomen in Haarzuilens die plaats zouden moeten maken voor uitbreiding van de golfbaan. GrL heeft zich evenmin verzet tegen het kappen van bomen in het Cremerpark ivm de omstreden stadsverwarming. Het is dankzij actieve bewoners dat eea niet is doorgegaan.

De wethouder van GrL Van Hooijdonk liet kort na haar aantreden in 2014 weten niet getrouwd te zijn met windmolens, is een voorstander van het doorgaan met stadsverwarming, terwijl er geen sprake meer is van ‘restwarmte’ en enorm veel energie verloren gaat door transport van heet water. Is bovendien een voorstander van energie uit biomassa terwijl dat een aanslag is op de natuur en ook CO2 uitstoot.

Dezelfde wethouder voor GrL heeft zich sterk gemaakt voor het buiten werking stellen van verkeerslichten zodat automobilisten minder oponthoud hebben (een VVD-wens) en voetgangers (o.a. kinderen, mensen die slecht ter been zijn) maar moeten zien hoe ze veilig aan de overkant kunnen komen.

GrL is akkoord gegaan met het armoedebeleid van wethouder Everhardt (D66) wat o.m. inhoudt dat er niet méér voor schuldhulpverlening en structurele aanvulling op bijstand/inkomen wordt uitgetrokken ondanks de toename van het aantal inwoners dat onder de armoedegrens dreigt te komen.

GroenLinks zou in een debat eens uit moeten leggen wat de stad er groener, socialer en beter op geworden is door de deelname sinds 2006 van GrL aan het college. De kans dat GroenLinks tot zo’n debat bereid is is klein want een debat met de SSLU over de milieuzone en de luchtkwaliteit dat durfde de wethouder en de fractie niet aan.

Klimaat en armoede

Dat de verandering van het klimaat in de eerste plaats gevolgen heeft voor arme landen ligt voor de hand. Het is vooral daar dat landbouwgronden verloren gaan door hitte en verwoestijning. Arme landen kunnen bovendien de kosten niet opbrengen die nodig zijn om maatregelen te nemen tegen de stijging van de zeespiegel en tegen rivieroverstromingen na hevige regenval, laat staan dat ze de kosten zouden kunnen opbrengen voor de opwekking van hernieuwbare energie.

Alleen al om redenen van solidariteit met arme landen zou het rijke westen de uitstoot van CO2 die in rijke landen aanzienlijk hoger ligt dan in arme landen *, drastisch en op de kortst moge­lijke termijn moeten terugdringen.  Sinds het klimaatakkoord van Rio (1992) is de uitstoot van CO2 echter niet af­genomen, maar toegenomen. Wat rijke landen doen om de nog steeds toe­nemende CO2-uitstoot terug te dringen is veel te weinig. Arme landen lijden daardoor aanzienlijke klimaatschade.

Rijke landen doen niet alleen te weinig, ze nemen bovendien maatregelen waarmee ze onder hun eigen verplichtingen uit menen te kunnen komen, maar negatieve gevolgen hebben voor arme landen. Zo compenseren ze hun eigen CO2-uitstoot door bos aan te planten in arme landen, waar dat ten koste gaat vruchtbare landbouwgrond en boeren hun bestaan ontneemt. **

Ook de armen die in het rijke westen wonen zijn degenen die in het bijzonder opdraaien voor de kosten van de klimaatverandering. Als de woning niet meer met gas verwarmd kan worden en de elektriciteit niet met gas, aardolie of steenkool opgewekt, dan zullen de energiekosten veel hoger uitvallen en het zijn vooral de armen, die ook vaak in slecht geïsoleerde woningen wonen, waar dat hard aankomt.

Milieumaatregelen treffen in het algemeen armen zwaarder dan rijken omdat ze vrijwel altijd kostenverhogend zijn, armen de extra kosten moeilijker op kunnen brengen dan welgestelden en daar zelden fiscaal en voldoende voor worden gecompenseerd. Anders dan de EU vindt de Nederlandse overheid het niet nodig om iets tegen de toenemende “energiearmoede” te doen waar ruim 1 miljoen Nederlanders onder lijden.

Dat arme mensen niet warm lopen voor milieumaatregelen en maatregelen om de CO2-uitstoot terug te dringen, ligt, zolang de kosten daarvan mensen met een klein inkomen relatief zwaarder treffen dan mensen met een riant inkomen, erg voor de hand. Het opbouwen van voldoende maatschappelijk draagvlak is dus een argument extra om wél een beleid te hebben specifiek gericht tegen energiearmoede. Dat het rijk daar niet aan wil hoeft voor een gemeente geen reden te zijn daar ook niet aan te willen.

Dat klimaatverandering armoede in arme landen én in rijke landen verstrekt behoeft verder geen betoog. En dat de strijd tegen klimaatverandering daarom een kwestie van solidariteit is ook niet. Klimaatverandering en armoede hebben echter ook op een andere manier met elkaar te maken. Ze hebben een gemeenschappelijke oorzaak: een maatschappij waarin wedijver en ongelijk­heid een alles overheersende rol spelen.

In een competitieve samenleving met grote inkomens- en vermogensverschillen worden mensen er toe aangezet om te stijgen op de maatschappelijke ladder (“vooruit te komen”), want dat is een teken dat ze geslaagd zijn in het leven. Stijgen op de maatschappelijke ladder betekent je bezit ver­meerderen. Voortdurende vermeerdering van bezit, ook al is dat bij de een sterker dan bij de ander, leidt tot steeds meer productie en consumptie en dus tot uitputting van grondstoffen, steeds meer energiegebruik en CO2-uitstoot.

In een competitieve samenleving worden mensen gedwongen aan de maatschappelijke competitie mee te blijven doen. Laten ze het er bij zitten, dan worden ze straatarm en dakloos. Ruim 1 miljoen Nederlanders leeft onder de armoedegrens. Het gevolg van een politieke keuze voor denivellering en afbraak van sociale voorziening. Het mes snijdt aan twee kanten. Door te bezuinigen op minima blijft er meer geld over voor winsten en investeringen en de dreiging onder de armoedegrens te geraken moet mensen ertoe aanzetten harder en langer te blijven werken. Alles ter wille van economische groei.

Een minder competitieve en meer gelijke samenleving zal minder gericht zijn op voortdurende economische groei en is daarom een noodzakelijke stap die gezet moet worden om het energiegebruik en de uitstoot van CO2 terug te dringen. Voor het klimaat is armoedebestrijding dus om twee redenen essentieel. 1. Het is nodig om voldoende draagvlak te scheppen voor klimaatbeleid. 2. Het is nodig om de groei uit de economie te halen, wat de CO2-uitstoot verlaagt.

* Bedacht moet worden dat veel C02-uitstoot in arme landen plaatsvindt in verband met productie die verplaatst is van rijke naar lage lonen landen, producten die voornamelijk in rijke landen worden afgezet. De CO2-uitstoot die daarmee gemoeid is, is dus eigenlijk ook onze CO2-uitstoot.

** Zie het uitstekende boekje De Mythe van de Groene Economie van Annelies Kenis en Matthias Lievens (2012) Uitgeverij Van Arkel. Zie voor een samenvatting:
de mythe van de groene economie

Uitnodiging bijeenkomst 25 augustus 19.00 uur in Muntmeesters Leidsekade 117

Het gebruik van de auto wordt in Utrecht in de hand gewerkt door verkeerslichten uit te schakelen. Ten koste van voetgangers. foto gepubliceerd in het AD 26-8-2016

Aan iedereen in Utrecht die zich zorgen maakt om het klimaat, de lucht en de bomen in Utrecht

Om te voldoen aan Europese klimaatdoelen moet de uitstoot in 2030 40% lager liggen dan in 1990. Urgenda wist gedaan te krijgen dat de rechter de overheid opdroeg ervoor te zorgen dat de uitstoot in 2020 al met 25% afgenomen zou zijn ten opzichte van 1990. Zoals bekend is de overheid tegen die uitspraak in hoger beroep gegaan. De overheid, en dat geldt ook voor de gemeente Utrecht, spant zich onvoldoende in om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Bij het huidige beleid is er geen sprake van dat de uitstoot in 2020 (over iets meer dan 2 jaar!) in Utrecht met 25% teruggedrongen zal zijn.

Volgens de gemeente is de CO2-uitstoot in 2015 met 8% gedaald ten opzichte van 2010. Wat de daling is ten opzichte van 1990 is niet bekend en niet berekend. Maar ook de daling van 8% ten opzichte van 2010 moet met een flinke korrel zout genomen worden. Zo was 2010 een heel koud jaar en 2015 een heel warm jaar. En dus werd er in 2015 veel minder verwarmd. Ook de omvang van het autoverkeer in Utrecht (in grote steden goed voor 30 á 40 % van de CO2-uitstoot) wordt door de gemeente stelselmatig onderschat. En dus het is zeer de vraag of er in Utrecht überhaupt sprake is van een daling van de CO2-uitstoot. Dat Utrecht in 2030 klimaatneutraal is, zoals de gemeente beweert, is in elk geval een illusie.

De Klimaatpartij is een initiatief van de Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht (SSLU). Met de CO2-uitstoot zien wij hetzelfde gebeuren als met luchtverontreiniging. De EU-normen waar de lucht in 2010 aan had moeten voldoen, daar werd in 2016 in Utrecht nog steeds niet aan voldaan. En dat terwijl het aanvankelijk de bedoeling was die normen in 2010 aan te scherpen zodat ze met die van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) overeenkomen. De NO2-norm van de WHO is 20 microgram/m3, de EU-norm die in Utrecht wordt gehanteerd is 40 microgram/m3. Dat in Utrecht nog steeds niet aan de (te hoge) EU-norm wordt voldaan betekent dat er geen sprake is van een serieus milieubeleid.

Ondanks het feit dat er in 2016 nog steeds niet aan de EU-norm voor luchtkwaliteit wordt voldaan en ondanks het feit dat er nauwelijks sprake is van een daling van de CO2-uitstoot maakt het huidige college, waarvan nota bene GroenLinks deel uitmaakt, zich sterk voor de “opwaardering” van de Noordelijke Randweg Utrecht langs Overvecht. “Opwaardering” betekent dat daar een snelweg van gemaakt wordt (ten koste van honderden bomen en de leefbaarheid van aanwonenden!), waardoor het autoverkeer dat niets met Utrecht te maken heeft daar meer dan verdubbelt. Het huidige college besloot ook om een grote parkeervoorziening te realiseren onder het Jaarbeursplein (60 miljoen), terwijl het aantal parkeerplaatsen in de binnenstad en het stationsgebied juist verminderd zou moeten worden.

Met het oog op het klimaat (hogere temperaturen), schonere lucht en het milieu zou het belangrijk zijn om heel terughoudend te zijn met het kappen van bomen en ervoor te zorgen dat bomen de ruimte krijgen die ze nodig hebben om gezond te blijven. Van die terughoudendheid is in de gemeente Utrecht geen sprake. Het college gaf een kapvergunning voor 600 monumentale bomen in Haarzuilens voor de uitbreiding van de golfbaan en een kapvergunning voor de bomen van het Cremerpark, die moesten wijken nota bene voor stadsverwarming (zeer klimaatonvriendelijk!). Het is aan acties van bewoners en de Utrechtse Bomenstichting te danken dat die bomen niet zijn gekapt. Kapvergunningen worden in Utrecht vrijwel nooit geweigerd. Het gevolg is een voortdurende daling van de gemiddelde leeftijd van bomen en dus steeds minder schaduw.

Met het oog op het klimaat moeten nieuw te bouwen woningen aan steeds scherpere eisen voldoen que energieprestatie. Daarvoor moeten EPC-berekeningen worden gemaakt die ingediend moeten worden bij de bouwaanvraag. De praktijk is dat er bij de oplevering nauwelijks gecontroleerd wordt of de woning volgens die EPC-berekening is gebouwd en of de woning wel zo energiezuinig is als hij behoort te zijn. Ook om die reden is de door de gemeente beweerde daling van de CO2-uitstoot een daling op papier maar niet in werkelijkheid. Er worden in Utrecht overigens nog steeds bouwvergunningen afgegeven voor woningen met houtkachels en open haarden, zelfs zonder eisen te stellen aan de uitstoot.

Als je de berichtgeving van de gemeente moet geloven heeft de gemeente een succesvol klimaat- en luchtbeleid. Als je kritisch naar de resultaten kijkt is dat beleid niet of nauwelijks effectief. TNO onderzocht het effect van de milieuzone en moest de conclusie trekken dat er van een aantoonbaar effect geen sprake is. Niet wat betreft NO2 en niet wat betreft roet. Het voornaamste effect van de milieuzone is dat de gemeente meent niets te hoeven doen om het autoverkeer in de stad terug te dringen, doorgaat steeds meer parkeervoorzieningen te realiseren en zelfs een nieuwe snelweg wil aanleggen langs Overvecht. Er is geen stad in Nederland waar het autoverkeer zoveel verkeersruimte en de voetganger zo weinig beveiligde oversteekbaarheid heeft als de stad Utrecht.

Wanneer u zich ook zorgen maakt om het klimaat, de luchtkwaliteit en de bomen in Utrecht, kom dan naar de bijeenkomst van de Klimaatpartij op 25 augustus 19.00 uur in de Muntmeesters, Leidsekade 117.

Met vriendelijke groet,

Kees van Oosten
www.klimaatpartij.nl

 

Propaganda of onwetendheid: Voortgangsrapportage Utrechtse Energie

Als je de Voortgangsrapportage Utrechtse Energie over 2016 moet geloven is de gemeente in 2030 klimaatneutraal en is de CO2-uitstoot in 2015 ten opzichte van 2010 met 8% afgenomen. De CO2-uitstoot van bewoners zou met 3% afgenomen zijn, die van bedrijven met 10% en die van mobiliteit (voertuigen) met 5%.  Zie plaatje CO2-uitstoot, ontleend aan de Voortgangsrapportage.

Dat de CO2-uitstoot ivm mobiliteit sinds 2010 zou zijn afgenomen kan, zoals ik eerder heb betoogd (11 juli), niet waar zijn. Het aantal autokilometers met herkomst en/of bestemming in de stad neemt nog steeds elk jaar toe. In 2006 schatte de gemeente dat aantal op 4.284.272 per dag, voor het jaar 2015 kwam de gemeente uit op 2.776.581 per dag. Kortom, dat aantal is zeer fors omlaag gerekend en dus moet de totale CO2 voor mobiliteit in 2015 aanzienlijker meer zijn dan de gemeente heeft berekend.

Dat de CO2-uitstoot van bewoners in 2015 lager was dan in 2010 (namelijk 3%), daar is een eenvoudige verklaring voor. Volgens het KNMI was 2010 het koudste jaar sinds 1996 en was 2015 op vijf na het warmste jaar sinds 1901. Met andere woorden, er is geen sprake van een trend en er is geen sprake van een effectief beleid. Er werd in 2010 gewoon meer gestookt dan in 2015 omdat het in 2010 een stuk kouder was. Het aantal koeldagen (airco) in 2010 en 2015 was overigens nagenoeg gelijk, namelijk 95,3 resp. 95,2.

Bedrijven zouden in 2015 10% minder CO2 uit hebben gestoten dan in 2010. Ook daar is een eenvoudige verklaring voor. De meeste CO2 per arbeidsplaats wordt uitgestoten door de industrie en die verliest in Utrecht snel terrein (sterker dan in Nederland) om plaats te maken voor dienstverlening, ict, medische- en kennisbanen. Zie plaatje “Index banen in de industrie”.

De claim van de gemeente dat de Utrechtse CO2-uitstoot sinds 2010 is gedaald is ook om andere redenen onzinnig. In de berekening wordt namelijk alleen de CO2-uitstoot meegenomen die samenhangt met het gebruik van gas, elektriciteit en transport door bewoners, bedrijven en de gemeente zelf. Maar dat is maar een kleine fractie van de totale CO2-uitstoot per inwoner en bedrijf.

In Utrecht wordt veel gebouwd. Daarvoor zijn bouwmaterialen nodig: staal, beton, bakstenen e.d. Die worden niet in Utrecht geproduceerd maar ergens anders. Voor de productie daarvan wordt veel energie gebruikt en dus veel CO2 uitgestoten. Omdat die bouwmaterialen in Utrecht worden gebruikt moet je die CO2 natuurlijk wel bij de Utrechtse CO2-uitstoot optellen. Dat gebeurt echter niet.

Wat voor bouwmaterialen geldt, geldt uiteraard ook voor voeding (vooral vlees) en duurzame goederen (textiel, elektronica, auto’s, meubels, e.d.) De maakindustrie is vrijwel volledig uit ons land verdwenen en overgeheveld naar lage-lonen-landen. De CO2 die wordt uitgestoten voor de productie van voeding en duurzame goederen die wij in Utrecht kopen en gebruiken is echter wel ónze CO2, evenals de CO2 die nodig is om dat naar Nederland en Utrecht te transporteren. Ook de CO2 die wordt uitgestoten door de vliegtuigen waarmee wij reizen is ónze CO2.

Kortom, de suggestie dat wij in Utrecht goed bezig zijn en, als we daarmee zo doorgaan, in 2030 klimaatneutraal zijn, is grote onzin. Of het is pure propaganda, of het geeft blijk van grote onwetendheid.

Utrecht koploper sjoemelen CO2-uitstoot berekening

Zoals bij vrijwel elke bestuurlijke rapportage van de gemeente Utrecht het geval is, begint ook de Voortgangsrapportage Utrechtse Energie 2016 over de “koploperspositie” van onze gemeente. “Onze aanpak van energie en armoede kwam naar voren als zeer doeltreffend bij de landelijke vergelijking van alle aanpakken”, “Utrecht wordt vaak genoemd als voorbeeld bij de aanpak van aardgasvrije wijken”. Een reden om extra kritisch naar de cijfertjes te kijken, want al dat gejuich over de eigen prestaties is meestal bedoeld om te verhullen dat het allemaal nogal tegenvalt.

Volgens de rapportage is de CO2-uitstoot van het autoverkeer in 2015 ten opzichte van 2010 afgenomen met wel 5%. Eerlijkheidshalve schrijft de gemeente erbij dat dat vooral te danken is aan het “schoner” worden van auto’s en dat de omvang van het aantal vervoerskilometers toeneemt. Met andere woorden, die afname heeft niet met het beleid van de gemeente te maken, maar met het beweerde “schoner” worden van auto’s. Dat het autoverkeer, ook volgens de gemeente, nog steeds toeneemt betekent dat de maatregelen om mensen uit de auto en op de fiets of in het OV te krijgen kennelijk zonder resultaat zijn. Niets om trots op te zijn en niets om jezelf een koploperspositie toe te dichten..

Dat “schoner” worden van auto’s is bereikt door andere emissiegegevens in de berekeningen te gebruiken dan in 2010 werden gebruikt. Of dat terecht is is de vraag. Zoals iedereen weet is er een groeiend verschil tussen de door de autofabrikanten zelf berekende CO2-uitstoot en de uitstoot in de praktijk. Daar komt bij dat auto’s steeds zwaarder worden en steeds meer presteren (snel optrekken/airco/snufjes die allemaal extra energie vergen). Diesels stoten overigens minder CO2 uit, dus het vervangen van diesels door benzine draagt ook niet bij aan minder CO2-uitstoot.

Belangrijk is natuurlijk te weten hoeveel autokilometers er in de stad worden afgelegd. In 2010 zou het gaan per dag om 2.721.317 km, in 2015 om 2.776.581. Inderdaad een toename, terwijl de gemeente beweert er op uit te zijn het aantal autokilometers terug te dringen. Van die toename is al langer sprake. In 2006 zou het gaan om 2.455.281 km.

De grote vraag is natuurlijk: hoe heeft de gemeente dat aantal autokilometers berekend? Volgens de rapportage is dat met het verkeersmodel gedaan. Reden dus om daar grote vraagtekens bij te plaatsen.

Bij het verkeersmodel worden in principe alleen ritten meegeteld die hun herkomst of bestemming hebben bij de woning en de arbeidsplaats. Het gebruik van de auto om te gaan winkelen, sporten, het ziekenhuis, de megabioscoop e.d. te bezoeken of de kinderen naar school te brengen valt er grotendeels buiten. Uit rekengegevens die door de gemeente werden overgelegd in de procedure tegen de Megabiosboop bleek dat het verkeer van en naar de Jaarbeurs in het geheel niet werd meegeteld.

Het verkeersmodel heeft ook niet meegenomen de ritten die gemaakt worden van de ene wijk in Utrecht naar de andere via de RING van snelwegen. Wat er over de snelwegen rijdt wordt niet meegenomen, dus ook niet het verkeer dat zijn herkomst en bestemming heeft in Utrecht. Zoals bekend probeert de gemeente al jaren het verkeer van de ene naar de andere wijk meer en meer over de RING af te wikkelen. Moet je natuurlijk wel meetellen bij het Utrechtse verkeer, maar dat gebeurt niet.

Het verkeersmodel is op aannames gebaseerd over het gebruik van de auto per woning en per arbeidsplaats. Bijvoorbeeld: per woning in een bepaalde wijk zal de auto 4 keer per dag worden gebruikt. Die aannames zijn uiteraard een slag in de lucht en worden waarschijnlijk naar beneden bijgesteld als het aantal autokilometers zo hoog oploopt dat het college moet toegeven dat er niets van het auto-ontmoedigingsbeleid terecht komt.

Aanvankelijk rekende de gemeente uit dat in het jaar 2006 per dag 4.284.272 kilometer werd afgelegd.

Daar schrok het college erg van. Vandaar dat er inmiddels voor 2006 een berekening met het verkeersmodel is gemaakt waar nog maar 2.346.536 kilometer uitkomt.

Kortom, wat de CO2-uitstoot van het autoverkeer in Utrecht betreft, die wordt alleen teruggebracht door met de cijfers te rommelen. In dat opzicht heeft onze gemeente ongetwijfeld een koploperspositie.

Naomi Klein: No Time

Op 6 maart 2015 hield de Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht een voorlichtingsbijeenkomst over ‘No Time, verander nu voor het klimaat alles verandert’. Een lijvig boek. Daarom werd een samenvatting daarvan rondgestuurd. Van de ruim van te voren uitgenodigde Utrechtse raadsleden gaf alleen het raadslid van de Partij van de Dieren blijk van belangstelling. De raadsleden van Groen Links, PvdA, D66, SP, CDA, VVD en ChristenUnie schitterden door afwezigheid.

De desinteresse bij gevestigde politieke partijen die gewend zijn of er op uit zijn in de regering en in colleges van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten te zitten is bijzonder zorgelijk, maar wel verklaarbaar. De prijs die door een politieke partij betaald wordt om mee te mogen bestu­ren en te regeren is dat het zich dient aan te passen aan de agenda, de prioriteiten en de ideologie van ambtelijke bureaucratie die samen met het grote bedrijfsleven het beleid van de overheid vast­stelt.

Het maakt in de praktijk dus weinig uit of de wethouder voor milieu van GroenLinks, de PvdA of de VVD is, hun besluiten zijn dezelfde. Het is niet voor niets dat Naomi Klein pleit voor een beweging van onderop (evenals Anneleen Kenis en Matthias Lievens in ‘De mythe van de groene economie’), want de gevestigde politieke partijen daar hoeven we niet op te rekenen. Wél veel mooie verhalen, maar als het er op aankomt kiezen ze voor de ‘vooruitgang’ en tegen het milieu.

De analyse van Naomi Klein is helder: er is een drastische reductie nodig van de welvaart, in plaats van groei moeten we juist streven naar economische krimp, waardoor de uitstoot van CO2 afneemt en een einde komt aan het verkwistend gebruik van grondstoffen. Economische krimp heeft als bij­komstig voordeel verkorting van de arbeidstijd. Maar om die economische krimp te bewerkstelligen moeten we strijden tegen de ideologie van de vrije markt.

Naomi Klein zadelt ons wel op met een enorm karwei. Zij stelt vast dat de overheid, gevestigde politieke partijen en vele gevestigde milieuorganisaties  alles doen om economische groei en de daarmee gerelateerde vernietiging van de natuur mogelijk te maken. Reden waarom zij haar hoop vestigt op bewegingen van onderop ( ‘blockadia’) en op burgerlijke ongehoorzaamheid. De vraag is:  hoe krijgen we daar de mensen voor op de been?

Klimaatpartij is tegen de opwaardering van de NRU

Al jaren bestaan er plannen om de Noordelijke Ringweg Utrecht (NRU) ‘op te waarderen’. Dat houdt in dat de NRU deel gaat uitmaken van de RING rond Utrecht die nu wordt gevormd door de A2, de A12 en de A27/A28. Volgens de wegenplanners is de NRU de ontbrekende schakel in die RING.

Die opwaardering houdt in dat de Marxdreef en de Schweitzerdreef het profiel krijgen van een snelweg, zoals dat al het geval is bij de rest van de NRU. De opwaardering zou nodig zijn om de doorstroming te bevorderen. Om de NRU echt een schakel te laten zijn tussen de A2 en de A28 zal het nodig zijn de aansluiting op de A2 en de A28 ook ‘op te waarderen’.

Rijkswaterstaat is een groot voorstander van een opgewaardeerde NRU. Automobilisten die uit Zeist, de Bilt, het zuidoosten van de provincie Utrecht, Arnhem en Nijmegen komen en in Amsterdam moeten zijn krijgen straks een alternatief, zodat de route A12/A2 ontlast wordt. Hetzelfde geldt in iets mindere mate voor automobilisten die uit de richtingen Den Bosch en Breda komen. Loopt de A2 en de A12 bij Utrecht vol, dan kan men uitwijken naar de A27/A28 en de NRU.

De gemeente Utrecht is ook voorstander. Het beleid van de gemeente (Zie het in ‘Ambitiedocument Utrecht: Aantrekkelijk en Bereikbaar’ 2013) is om het autoverkeer in de stad van de ene wijk naar de andere wijk moeilijker te maken, zodat dat interwijkverkeer meer uitwijkt naar de RING. Dat is waar­om er ‘knips’ worden aangebracht en waarom ‘t Goylaan, de Cartesiusweg, de Josephlaan en de Marnixlaan worden versmald. De gemeente hoopt dat Utrechtse automobilisten er wat vaker van afzien om dwars door de stad te rijden.

Als voordelen van de opwaardering worden dus beschouwd:
– Rijkswaterstaat: dat er méér capaciteit komt voor auto’s die om en langs Utrecht willen, maar niet in Utrecht zelf hoeven te zijn of daar vandaan komen
– Gemeente: dat er méér automobilisten zullen besluiten om niet door maar om Utrecht heen te rijden. Ik ga eerst op het ‘voordeel’ van de gemeente in.

‘Voordeel’ gemeente
Volgens het eerder genoemde Ambitiedocument zou bijvoorbeeld een automobilist die in Overvecht Noordoost woont en in het Stationsgebied wil zijn, moeten omrijden via de NRU, A28/A27, A12 en de A2 om via de M.L. Kinglaan (de ‘fly-in’) het Stationsgebied te bereiken.

Op het ‘voordeel’ dat er méér automobilisten zullen besluit niet meer door maar om Utrecht heen te rijden valt heel wat af te dingen.

1. In de eerste plaats zullen meer auto’s uit de regio van het Utrechtse wegennet gebruik maken naarmate meer Utrechtse automobilisten besluiten om om te rijden via de RING van snelwegen. Immers, als Utrechters besluiten om te rijden wordt het minder druk in de stad en denken automo­bilisten uit de regio ‘het valt eigenlijk best mee, waarom zal ik de trein of de fiets pakken’.

2. In de tweede plaats leidt het omrijden door het interwijkverkeer via de snelwegen tot een aanzienlijke toename van het aantal autokilometers: meer luchtverontreiniging, meer lawaai en meer CO2-uitstoot.

3. In de derde plaats levert het door de gemeente gepropageerde omrijden via de RING van snelwegen een krachtig argument op om de A12 en de A27 te verbreden, zoals de minister dat graag wil. In de reactie op de zienswijzen tegen het tracébesluit A27 laat de minister weten dat de verbreding van de A27 mede noodzakelijk is gezien de opwaardering van de NRU. M.a.w. wie de opwaardering van de NRU bepleit is in feite ook een pleitbezorger van de verbreding van de A27.

4. In de vierde plaats levert het door de gemeente gepropageerde omrijden via de RING (en de opgewaardeerde NRU) veel ongerief op voor Utrechters. Doe je er normaal 10 minuten over om iemand van het Centraal Station te halen, straks kan je daar een uur voor uittrekken als je in Overvecht Noordoost woont.

Bedacht moet worden dat verreweg het meeste autoverkeer in Utrecht komt van het externe verkeer (van automobilisten die niet in Utrecht wonen). Volgens het Actieplan Luchtkwaliteit Utrecht 2009 rijden er dagelijks 300.000 auto’s de stad in en uit. Het ligt dus meer voor de hand om dáár wat tegen te doen dan om Utrechtse autorijders te dwingen hele einden om te rijden.

Het valt dus eigenlijk helemaal niet in te zien wat het voordeel voor de gemeente en voor Utrechtse burgers en belastingbetalers is van de opwaardering van de NRU. Ontmoedig het ‘externe verkeer’ (automobilisten die niet in Utrecht wonen, maar met de auto naar hun werk komen in plaats van met het OV en de fiets), dan hoeven Utrechtse automobilisten minder in de file te staan en om te rijden.

Al jaren wordt er voorgesteld om het externe verkeer bij de invalswegen te ‘doseren’, maar daar wil de politiek niet aan. Als je dat wél zou doen hoef je de NRU niet op te waarderen, hoef je geen knips aan te brengen en hoef je Utrechters niet om te laten rijden.

Kortom: het enige ‘voordeel’ van de opwaardering is het voordeel dat Rijkswaterstaat er bij heeft, namelijk meer capaciteit voor de RING van snelwegen voor het autoverkeer dat niets in Utrecht te zoeken heeft.

Nadelen
Tegenover het voordeel van Rijkswaterstaat staan een hoop nadelen. Het belangrijkste nadeel is natuurlijk dat de bewoners die langs de NRU wonen met een hoop extra verkeer worden opgezadeld, op zijn minst een verdubbeling: nu 45.000, straks ruim 90.000. De raming van wegenplanners is altijd een onderschatting om aan te kunnen tonen dat het verkeerslawaai en de luchtverontreiniging binnen de wettelijke grenzen blijft. Ga er dus maar van uit dat het aantal auto’s straks veel meer is dan 90.000 en dat verreweg het meeste verkeer op de NRU niets met Utrecht zelf te maken heeft.

Dat de gevolgen van al dat extra autoverkeer voor het verkeerslawaai en de luchtverontreiniging langs de Marxdreef en de Schweitzerdreef te ondervangen zijn is onzin. Dat zou alleen het geval zijn als het hele traject ondertunneld wordt en daar heeft noch het rijk, noch de gemeente het geld voor over. Bewoners langs de NRU zouden eens te raden moet gaan bij de bewoners langs de A28 bij Voordorp. Schaf de oordoppen maar aan, laat de ramen langs de NRU dicht en ga niet op het balkon of in de tuin zitten.

Wie er ook de klos zijn, en daar hoor je vrijwel niemand over, zijn alle bomen langs de Marxdreef en de Schweitzerdreef. Natuurlijk zal de gemeente aanvoeren dat er net zoveel nieuwe boompjes voor in de plaats komen, maar die doen er minimaal 20 jaar over voordat die een noemenswaardige compensatie bieden voor de bomen die gekapt worden. Niet alleen wordt het dus een hele kale boel. Ook wordt een natuurlijke barrière gesloopt tegen verkeerslawaai en luchtverontreiniging.

Het bezwaar van het verkeerslawaai wordt in de discussie zwaar onderschat. Volgens het RIVM-rapport ‘Trends in the environmental burden of disease in the Netherlands’ is lawaai bezig luchtverontreiniging te overtreffen als oorzaak voor ziekte en voortijdig overlijden. Het meeste verkeerslawaai wordt veroorzaakt door de banden. Elektrisch aangedreven auto’s brengen qua lawaai dus nauwelijks verbetering. Ook wordt er heel veel fijnstof in de lucht gebracht door bandenslijtage. Dat is bij elektrisch aangedreven auto’s niet anders.

Afweging
Vreemd genoeg beperkt de politieke discussie zich tot de vraag of er nu één of twee ongelijkvloerse kruisingen moeten komen en of er misschien een deel van de NRU verdiept kan worden aangelegd. De opvatting dat de NRU helemaal niet opgewaardeerd moet worden lijkt in de politiek onbespreekbaar. Dat is ten onrechte, want dat is de beste oplossing. En de goedkoopste.

Het slechtste argument om de NRU op te waarderen is wel dat de gemeente daar 190 miljoen voor kan krijgen en dat het zonde is om dat geld niet aan te pakken (wat de gemeente niet voor iets anders mag gebruiken). Niet alleen wordt die 190 miljoen ook door Utrechtse belastingbetalers bij elkaar gebracht en moet de gemeente zelf ook aanzienlijke kosten maken, het enige wat er toe zou moeten doen is een afweging van het voordeel voor Rijkswaterstaat en de nadelen die daar tegen­over staan.

De nadelen voor de bewoners langs de NRU zijn evident: de komende 20 jaar geen uitzicht meer op bomen, een aanzienlijke toename van verkeerslawaai en luchtverontreiniging.

Een belangrijk nadeel is nog niet genoemd: in een tijd dat iedereen roept dat het de hoogste tijd is om het gebruik van energie terug te dringen (ook van het gebruik van elektriciteit) om aan klimaat­doelstellingen te vol­doen, is het te dol voor woorden om meer asfalt aan te leggen en daardoor het autoverkeer niet af te remmen maar juist te faciliteren. Landelijk gezien is transport goed voor 20% van de CO2 uitstoot, in een stad als Utrecht ligt dat op bijna 40%.

Onbegrijpelijk dat er politici zijn die met afschuw spreken over Trump en zijn afkeer van klimaatmaatregelen maar niet schromen om zich ondertussen zelf in te zetten voor meer asfalt en dus meer auto­verkeer.

Paus Franciscus, het milieu en de armoede

 

De op 15 juni 2015 verschenen encycliek Laudato Si (‘Geprezen zijt gij’) gaat over hoe de rijken zich ver­rijken ten koste van steeds meer armen, maar ook over hoe zij de aarde en het milieu ver­nietigen. Bestrijding van armoede en onrecht hangt volgens Paus Franciscus nauw samen met de strijd die gevoerd moet worden om de aarde voor milieu- en klimaatrampen te behoeden.

Het verband tussen armoede en onrecht enerzijds en milieu- en klimaatproblemen anderzijds wordt door de paus om twee redenen gelegd. De eerste is dat gevolgen van milieu/klimaatproblemen en van de bestrijding daarvan altijd en overal op de armen en de gewone mensen worden afgewenteld, waar dan weer stevig aan wordt verdiend. Dat is mondiaal het geval, maar ook in Utrecht.

De tweede is dat armoede en onrecht enerzijds en milieu- en klimaatproblemen een gemeenschappelijke oorzaak hebben. Namelijk een op puur egoïsme gebaseerde economie, die de degenen die zich ten koste van anderen en het milieu verrijken alle vrijheid geeft om dat te doen, waarbij dat aso­ciale gedrag geldt als dé manier om succesvol te zijn in het leven.

De oplossing van het armoede/onrecht- én het milieu/klimaatprobleem is volgens de encycliek af­han­kelijk van de mate waarin de rijken en de rijke landen ertoe kunnen worden gebracht, desnoods door actie en pressie, om hun schuld in te lossen aan armen en arme landen ten koste waarvan zij zich hebben verrijkt.

Het is niet voor niets deze paus zich Franciscus laat noemen. Zijn voorbeeld, Franciscus van Assisi (1182-1226) nam het op voor zowel de armen als de natuur. In het eerste hoofdstuk, waarin de pro­blemen op een rij worden gezet die de wereld het meest bedreigen, worden genoemd het ‘wereld­wijde sociale on­recht’ en de ‘verslechtering van de levenskwaliteit en sociale achteruitgang’ naast ‘milieuvervuiling en klimaatverandering’, ‘het watervraagstuk’ en ’het verlies van biodiversiteit’.

Het milieu wordt vervuild door het in de lucht, in het water en in de grond brengen van schadelijke stof­fen en bergen afval. Veroorzaakt door verkeer, landbouw, mijnbouw en in­dustrie. De encycliek voert deze problemen terug op overdadige consumptie door rijken en rijke landen en op de daarmee verbonden wegwerpmaatschappij. Arme landen draaien in drie opzichten voor deze overda­dige consumptie op: ze worden van grondstoffen beroofd, met chemisch afval opgezadeld waar rijke lan­den goedkoop van af willen en ze krijgen met milieu- en klimaatproblemen te maken waar ze weer­loos tegenover staan: verwoestijning, stijging zeespiegel, ontbossing. Daarvoor vluchten kan niet, de rijke landen die de problemen veroorzaken weigeren mensen die daarvoor vluchten toe te laten.

De beschikbaarheid van schoon water is  een nijpend probleem. De vraag naar water neemt enorm toe (o.a. door industriële activiteit) met als gevolg uitputting/verlaging van grondwater. Ontbossing,  klimaatverandering en vervuiling zorgen voor verminderde beschikbaarheid van water. Het ontbre­ken van vol­doende schoon water leidt tot daling landbouwproductie, ziekte en sterfte. Tot overmaat van ramp dreigt de drinkwatervoorziening in steeds meer landen in handen te komen van multinatio­nals, wat door de encycliek wordt genoemd als één van belangrijkste toekomstige conflictbronnen.

Het verlies van biodiversiteit wordt in de encycliek geweten aan winstbejag, waardoor het verlies van dier- en plantsoorten, wildernis en van alles wat geen geld oplevert (bijvoorbeeld bomen en groen in Utrecht) niet telt. Wegen, verharding, monocultuur (grootschalige landbouw en klimaatbossen zoals in León!) maken een snel einde aan de biodiversiteit. Gevolgen zijn het verlies van materiaal dat heel belangrijk kan zijn voor medische toepassing, maar ook verlies van prachtige natuur dat ook recht van bestaan heeft. De encycliek keert zich tegen het idee dat alles in de wereld ondergeschikt is aan menselijke behoefte.

De ideologie dat milieu- en klimaatproblemen zouden kunnen worden opgelost door technologische innovatie en toepassing, waar dan miljarden in geïnvesteerd moeten worden (*) wordt door de en­cy­cliek bestreden. Technologie is niet onbelangrijk, maar er valt niet te ontkomen aan een radicale ver­sobering van de levensstijl van de welgestelde klasse. Welvaart moet niet toenemen, maar eerlijker verdeeld wor­den, zodat welgestelden moeten inleveren.

(*) Volgens de Utrechtse ‘Duiding van het College bij het Energieplan’ zou 7 tot 10 miljard nodig zijn om de uitstoot van CO2 in Utrecht terug te dringen. Daarmee zou nog steeds niet bereikt zijn dat Ut­recht dan klimaatneutraal is.

 

Destrucción masiva, geopolítica del hambre

Destrucción masiva, geopolítica del hambre (2012)
Jean Ziegler

Ziegler was negen jaar speciale UN-rapporteur voor honger in de wereld. In 2008 verscheen van hem ”La Haine de l’Occident” (vertaald uitgebracht in 2010 onder de titel “De haat tegen het Westen”). “Destruction massive”  verscheen in 2012, tevens in Spaanse vertaling waarop on­derstaande samenvatting is gebaseerd.

Proloog
Begint met een herinnering aan een bezoek aan een hospitaaltje in het dorpje Saga in Niger: moeders met door honger uitgemergelde kinderen wachten in de brandende zon, bescherming zoekend in met de handen in het zand gegraven holen, of zij naar binnen mogen. Slechts moeders waarvan de kinderen de meeste kans hebben mogen naar binnen. De meesten niet. Die gaan terug naar hun dorp wetende dat hun kind dood zal gaan door de honger. Zou niet nodig zijn als de zusters Madre Teresa over voldoende voedingsvloeistof beschikten die zwaar ondervoede kinderen in 12 dagen er weer bovenop kunnen helpen.

Onze planeet zou zonder problemen 12 miljard mensen kunnen voeden. Niettemin sterft elke 5 seconde een kind onder de 10 jaar van de honger. Elk kind dat van de honger sterft is dus een kind dat is vermoord. De publieke opinie schrikt soms heel even op als er één of andere hongersnood in het nieuws komt die in één keer pakweg 12 miljoen mensen het leven kost, maar verder reageert de publieke opinie op deze massale destructie van mensenlevens met ijskoude onverschilligheid. Aldus Ziegler, negen jaar lang speciale UN-rapporteur mbt honger in de wereld.

Doordat de mensen in het Westen niet zo erg lang geleden zelf met de ellende van honger te maken hadden (tijdens de oorlog en in Duitse concentratiekampen) is er veel bekend over de geopolitiek van de honger (Josué Apolônio de Castro, Tiber Mende, René Dumont, Abbé Pierre) en het gruwelijke lijden bij hongerdood en zijn er na de oorlog WO II internationale instellingen in het leven geroepen om de honger uit de wereld te bannen. In 2009 werd herdacht dat er inmiddels 9.923 internationale conferen­ties hadden plaatsgevonden over honger en fundamentele mensenrechten. Conferenties waarin telkens het universele mensenrecht op voeding werd beleden, maar verder niets opleverden.

Recentelijk wordt de honger in de wereld nog eens extra aangejaagd doordat arme landen worden beroofd van hun vruchtbare grond door transcontinentale ondernemingen die geld verdienen met de productie van biobrandstof en beursspeculatie met elementaire voedingsmiddelen, geobsedeerd als zij zijn door winst en hebzucht.

Shakespeare deed koning Lear opmerken dat het in de wereld zo slecht toeging dat zelfs een blinde dat kon zien. Volgens Ziegler is het nog veel erger: de wereld wordt zó ‘gemediatiseerd’ door kapita­lis­tische drogbeelden, dat het ook ziende mensen ontgaat dat de honger in de wereld mensenwerk is, is wat mensen die daar van profiteren mensen aandoen die daardoor dood gaan. De hoop van Ziegler is gevestigd op de strijd van transnationale syndicaten van boeren tegen kapitalistische aas­gieren van het ‘groene goud’ en tegen commerciële instellingen die grove winsten maken door te speculeren met elementaire voeding. Hun strijd zouden wij moeten steunen.

Deel 1. De slachting

1. Geografie van de honger
“Brood voor de noodlijdenden betekent leven voor de armen, hij die na laat dat te geven is een bloed­dorstig mens. Hij die aan zijn naaste onthoudt wat nodig is voor levensonderhoud is een moordenaar. Het aan de dagloner zijn dagloon onthouden is bloed vergieten” (Eclesiastico, 34, 21 – 22)

Volgens de Food and Agriculture Organisatie van de VN (FAO), waren in 2009 ruim één miljard van de 6,7 miljard mensen op aarde ernstig en permanent ondervoed. De Wereld Gezond­heids Organisatie (WHO) beschouwt 2.200 calorieën voor een volwassene als dagelijks minimum. Voor zuigelingen zou dat 700 zijn en voor kinderen van 5 jaar zou dat 1.600 zijn.

Doodgaan door honger is een langzaam en ondraaglijk lijden. Het sloopt het lichaam, doet stekende pijn en bezorgt ook psychisch lijden: angst, wanhoop, paniek en eenzaamheid. Het brengt uiteraard ook verlies van zelfstandigheid en invaliditeit met zich mee.

Honger in de eerste 5 levensjaren betekent onherstelbare hersenschade, want de ontwikkeling van de hersenen moet in de eerste 5 jaar voltooid worden. Komt het kind voeding te kort, dan valt dat dus voor wat betreft de hersenen niet in te halen ná die eerste 5 jaar.

Blijvende schade lopen kinderen ook op als ze onvoldoende voeding krijgen tijdens de zwangerschap doordat de moeder ondervoed is. In landen van het zuidelijke halfrond sterft overigens een half mil­joen moeders tijdens de bevalling, de meesten door ondervoeding tijdens de zwangerschap.

Honger tast uiteraard het weerstandsvermogen aan, waardoor mensen veel eerder ziek worden en door ziekte sterven. Het grote aantal sterfgevallen door AIDS wordt mede door honger veroorzaakt.

De FAO berekent het aantal ondervoede mensen voor elk land door het saldo van import en export van voeding (omgerekend naar aantal calorieën) vast te stellen en dat te vergelijken met omvang en samenstelling van de bevolking, waarbij dan ook rekening wordt gehouden met factoren als klimaat.

Volgens Bernard Maire en Francis Delpeuch is de rekenwijze van de FAO te grof omdat geen onder­scheid wordt gemaakt naar voedingsbestanddelen (eiwitten, koolhydraten, vetten) en geen rekening wordt gehouden met vitaminen, ijzer, jodium e.d. die ook in de voeding moeten  zitten. Met andere woorden: in het cijfer van één miljard ondervoede mensen is nog niet meegerekend het aantal men­sen met een eenzijdige voeding waar van alles aan ontbreekt.

Het streven van de VN was ooit een halvering van het aantal ondervoede mensen (berekend voor het jaar 1990) in 2015 en rekening houdend met de groei van de wereldbevolking. In 1990 zou het aantal (alleen in ontwikkelingslanden!) 827 miljoen zijn geweest, in 2010 zou dat aantal echter toegenomen zijn naar 906 miljoen. In plaats van een halvering dus een toename.

De VN onderscheidt structurele en conjuncturele honger. De eerste komt voort uit onvoldoende pro­ductiemogelijkheden (boeren met te weinig grond, onvoldoende werktuigen, onvoldoende of slecht zaaigoed, ontbreken van meststoffen en bestrijdingsmiddelen, ontbreken van mogelijkheden tot bevloeIIng. In verreweg de meeste gevallen beschikt men alleen over een hak, een sikkel en een machete. Dus geen ploeg, trekker of lastdier). Wat wij op de televisie zien is echter alleen de con­juncturele honger door rampen en oorlogen: de beelden van mensen die in overvolle kampen zijn samengepakt en op de vlucht zijn voor oorlogsgeweld.

Wat betreft de structurele honger, die treft men aan bij de rural poors (buiten de steden) en in  sloppenwijken (urban poors). Van de 6,7 miljard mensen leeft de helft buiten de steden en pro­beert zich te voeden door landbouw, veeteelt en visserij. De mensen in extreme armoede (volgens de Wereldbank moeten zien rond te komen van hooguit 1,25 dollar per dag) zijn voor 75% rural poors.

De armoede van de rural poors komt door het ontbreken van (voldoende) eigen grond waardoor ze afhankelijk zijn van grondbezitters, waar ze het grootste deel van hun oogst aan moeten afstaan. De Wereldbank heeft een programma voor ”Market-Assisted Land Reform”, wat er op neerkomt dat de Wereldbank grond koopt van grondbezitters en kleine stukjes verkoopt aan boeren die in extreme armoede leven en daar dan bij de Wereldbank geld voor kunnen lenen. Volgens Ziegler een evident hypocriet en bovendien onzedelijk plan.

Rural poors hoeven niet op de steun van de Wereldbank te rekenen, ze zullen zich zelf moeten be-vrijden van de uitbuiting door (groot)grondbezitters. Via Campesina is momenteel de meest belang­rijke mondiale revolutionaire beweging van landloze boeren (200 miljoen).

Structureel is volgens de FAO dat 25% van de oogst standaard verwoest wordt door weersomstan­digheden en knaagdieren. Structureel is ook het ontbreken van mogelijkheden van transport, waar­door ergens ernstige hongersnood kan optreden terwijl er 700 km verderop genoeg graan ligt opge­slagen. Structureel is ook dat lokale banken ontbreken waar een boer even wat geld kan lenen. Door­dat hij niet kan lenen kan hij gedwongen zijn zijn oogst te verkopen juist als de wereldhandelsprijs het laagst is. En structureel is het geweld: grootgrondbezitters houden er legertjes op na die (niet zelden met steun van de politie) ook het kleinste verzet tegen de uitbuiting met geweld de kop in­drukken. In 2005 werden er in Guatamala 4.793 rural poors vermoord. In Guatamala is 57% van de voor landbouw geschikte grond in handen van 1,86% van de bevolking (2011).

Wat de urban poors betreft, om eten te kunnen kopen van 1,25 dollar per dag is er vrijwel geen geld over voor huisvesting: 85% van het budget wordt uitgegeven voor eten. Ter vergelijk: in steden als Parijs en Frankfurt is dat 10 á 15%. De geringste prijsstijging heeft meteen catastrofale gevolgen. Dat geldt ook voor de rural poors, voor wie de oogst vaak niet toereikend is.

Volgens Yolanda Areas Blas van Via Campesina kost een familie basis pakket voeding voor 6 personen volgens de rege­ring van Nicaragua per maand 500 dollar. Het wettelijk minimumloon in Nicaragua is echter niet meer dan 80 dollar.

De geografische verdeling in 2010 van de honger in de wereld is zeer ongelijk. Het meeste aan­tal ondervoede mensen leeft in Azië en de Pacifiek (578 van de 4.030 miljoen →14,3%). Dan volgt Afrika (239 van de 965 miljoen → 24,7 %), La­tijns Amerika en de Cariben (53 van de 572 miljoen → 9,2%), Europa en Noord Amerika (19 van de 1070 miljoen → 1,7%).

Het aantal ondervoede mensen nam vanaf 1969 geleidelijk af, maar vanaf 1995 neemt het weer toe en in 2009 was het veel meer dan in 1969. Prijsstijgingen en de crisis hebben catastrofale gevolgen.
In 2008 en daarna nog eens in 2011 vlogen de prijzen voor rijst, graan en mais omhoog. In 2011 ver­dubbelde de prijs van graan.

De landen van de Magreb tot en met de Golf zijn voor de voedselvoorziening in hoge mate op import aangewezen. Het is niet toevallig dat het volk in 2010 juist in landen als Tunis en Egypte tegen de re­gering opstond.

Belangrijk is te vermelden dat in Azië en Afrika juist vrouwen en kinderen extra lijden door ondervoe­ding. Zij zijn namelijk aangewezen op wat overblijft als de mannen gegeten hebben.

“Het voortduren van de verwoestende honger in een wereld die barst van de rijkdom en de capaciteit om zelfs het onmogelijke te bereiken is een schande, een massale slachting van armsten”.

2. De onzichtbare honger
Van ondervoeding is niet alleen sprake bij een tekort aan calorieën, maar ook bij een tekort aan essen­tiële voedingsstoffen. De gezondheidsschade die daar het gevolg van is is vaak niet meteen te herkennen als ondervoeding. Het tekort aan vitamines en bepaalde mineralen kan zich immers wre­ken zon­der gewichtsverlies.

Tekort aan vitamines, ijzer, jodium, zink e.d. uit zich door een verhoogde vatbaarheid voor ziektes, blindheid, bloedarmoede, rachitis, beriberi, struma, mentale stoornissen. Om het verschil te bena­drukken met ondervoeding door tekort aan calorieën, spreekt men ook wel van stille honger.

De gevallen van stille honger zijn aanzienlijk en dient men op te tellen bij het eerder genoemde aantal van ruim één miljard die niet genoeg calorieën binnen krijgen. Volgens onderzoek van Unicef (Vitamine and Mineral Deficiency. A global Assessment) kan éénderde van de wereldbevolking zijn fysiek en intellectueel potentieel niet ontwikkelen door gebrek aan vitaminen en mineralen. In het bijzonder brengt het tekort schade toe aan kinderen tot 5 jaar.

Eén van de meest voorkomende kwalen is bloedarmoede, dat ontstaat door een gebrek aan ijzer. Vooral bij kinderen en zwangere vrouwen zijn de gevolgen vaak dodelijk. Voor zuigelingen is ijzer essentieel: de meeste neuronen in de hersenen worden gevormd tijdens de eerste levensjaren. Een gebrek in de eerste vijf levensjaren is onherstelbaar. Bloedarmoede ontregelt ook het immuunsys­teem. 30% van alle baby’s wordt geboren in de 50 armste landen van de wereld.

Gebrek aan vitamine A veroorzaakt blindheid. 40 Miljoen kinderen hebben daar een tekort van, elk jaar leidt dat tot 13 miljoen blinde kinderen. Beriberi treedt op als gevolg van een gebrek aan vitamine B. Scheurbuik en rachitis treden op als gevolg van een gebrek aan vitamine C. Foliumzuur is essentieel voor zwangere vrouwen. Volgens de WHO leidt het gebrek aan foliumzuur elk jaar tot schade aan 200 miljoen baby’s. Circa een miljard mensen heeft een gebrek aan jodium. Gebrek aan zink heeft schade tot gevolg voor de motoriek en de hersenen en is een oorzaak van diarree. Daar­van is elk jaar in 400.000 gevallen sprake. In de meeste gevallen is het gebrek aan vitamines en mi­neralen cumulatief: heeft men van het één tekort dan is dat ook zo bij andere micronutriënten.

De helft van alle aandoeningen bij kinderen onder de vijf jaar is het gevolg van gebrek aan essen­tiële voedingsstoffen. De grote meerderheid daarvan leeft in Azië en Afrika ten zuiden van de Sahara en heeft geen toegang tot mogelijkheden tot behandeling. Volgens Accion Contra el Hambre is bestrij­ding van het tekort aan essentiële voedingsstoffen eigenlijk vrij eenvoudig en zou het prioriteit moeten heb­ben. Bij de meeste staten ontbreekt echter de wil. Sinds 2008 is de situatie verder verslechterd.

Net als bij de honger door een tekort aan calorieën, heeft de stille honger als nasleep van ziektes psychisch lijden en angst voor de dag van morgen tot gevolg. Stel je ook het lijden van de moeder voor waarvan het kind onophoudelijk huilt door honger en gebrek. En van de vader die niet in staat is zijn gezin te onderhouden. Bekend is dat tienduizenden boeren in India zich uit wanhoop van kant maken.