Discriminatie in Nederland

63% van de gedetineerden is allochtoon, terwijl allochtonen slechts 21,6% van de totale Nederlandse bevolking uitmaken.

Mensen die discrimineren zijn er meestal van overtuigd dat ze helemaal niet discrimineren en ont­steken in heilige verontwaardiging als zij er van beschuldigd worden dat ze dat wél doen. Voor landen geldt hetzelfde. Nederlanders denken in grote meerderheid dat discriminatie wél in andere landen voorkomt maar niet in Nederland. Dat de VN vindt dat de figuur van zwarte piet discriminerend is vinden de meeste Nederlanders, net als minister-president Mark Rutte, maar onzin en geen reden om de vraag te stellen of Nederland wel zo zuiver op de graat is. Ook het feit dat 30% van de Nederlanders op Wilders overweegt te stemmen, PvdA-Rob Oudkerk het over “kut Marokkanen” heeft en PvdA-voorzitter Spekman er voor pleit om “Marokkanen die niet willen deugen moet je vernederen, voor de ogen van hun eigen mensen” lijkt niet voldoende te zijn af te rekenen met de mythe dat wij in land leven waar het met de discriminatie wel meevalt.

Het door de Raad van Europa in 2013 over discriminatie in Nederland uitgegeven ECRI-Rapport wijst erop dat Nederland nog steeds niet het uit 1990 daterende Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en leden van hun gezin ondertekend heeft en even­min een flink aantal racistische gedragingen nog steeds niet strafbaar heeft gesteld, zoals:

“racistisch bedoelde openbare ontkenning, bagatellisering, rechtvaardiging of goedkeuring van geno­cide, misdaden tegen de menselijkheid of oorlogsmisdaden, openbare uitingen met een racistisch oog­merk van een ideologie die superioriteit of minderwaardigheid van een bepaalde groep mensen op grond van ras, huiskleur, taal, godsdienst, nationaliteit of etnische afkomst propageert.”

Ook wordt erop gewezen dat politie en officieren van justitie beter moeten optreden tegen racistisch gemotiveerde misdrijven en de doeltreffendheid van hun optreden moeten bijhouden en evalueren. Kritiek is er op de vrijspraak van Wilders in 2011 door de rechtbank Amsterdam en op het feit dat daar geen hoger beroep tegen is ingesteld. De zaak was door het OM aangebracht op grond van uit­latingen van Wilders als:

“Je zult zien dat al het kwade dat de zoons van Allah tegen ons en henzelf begaan, uit de Koran afkomstig is”. “We moeten de tsunami van islamisering stoppen”. “Eén op de vijf Marokkaanse jonge­ren staat als verdachte bij de politie geregistreerd, Hun gedrag vloeit voort uit hun godsdienst en cul­tuur. Je kunt dat niet los van elkaar zien.”. “De Koran is het Mein Kampf van een religie die beoogt an­deren te elimineren.” “Ik heb genoeg van de islam: geen moslim immigrant er meer bij”.

In het rapport wordt vastgesteld dat door de vrijspraak van Wilders het aantal racistische uitlatingen op internet is toegenomen en de bereidheid van website beheerders om die op verzoek van het Meldpunt Discri­mi­­natie Internet er af te halen is afgenomen. Grote zorgen maakt men zich over het stopzetten van subsidie aan dit Meldpunt en, overigens, ook aan “Art.1”, het nationale kenniscen­trum discriminatie Nederland en aan het Landelijk Overleg Minderheden. Kritiek is er op het feit dat de Nederlandse re­gering nog steeds geen Nationaal Actieplan tegen Racisme heeft, hoewel dat in 2007 aangekondigd werd.

Kritiek is er op het feit dat te weinig wordt gedaan om segregatie in onderwijs tegen te gaan, waar­door steeds meer “witte” en “zwarte” scholen ontstaan. Kritiek is er ook op het stopzetten van speci­fiek beleid ter verbetering van de positie van kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt en op de uitbui­ting van tijdelijk in Nederland werkzame personen door werkgevers (bijv. bij champignonkwekerijen) en uitzendbureaus (huisvesting in “gettoachtige” omgeving). Geadviseerd wordt om harder op te treden tegen horecabedrijven die discrimineren, bijvoorbeeld door de horecavergunning in te trekken. Kritiek is er op het feit niet-Nederlandse burgers vaak geen hypotheek of bankrekening kunnen krijgen. En kritiek is er op het feit dat je een baan of een uitkering geweigerd kan worden als je om religieuze redenen je baard laat staan of geen handen schudt met iemand van het andere geslacht. Met klem wordt geadviseerd eens en voor altijd af te rekenen met het voorstel voor een verbod  op het dragen van gezicht bedekkende kleding in het openbaar.

Met verontrusting stelt het rapport vast dat het sociaal contact tussen blanke autochtone Nederlanders en bepaalde kwetsbare groepen (zoals Marokkanen, Turken, Antillianen en Surinamers) de afgelopen 17 jaar is verminderd en dat deze gemeenschappen zich minder geaccepteerd zijn gaan voelen. Ook wordt vastgesteld dat de regering vanaf 2011 afstand is gaan nemen van het model van de multiculturele samenleving en zeer strenge toelatingseisen is gaan stellen aan migranten “die volgens het Eu­ropese Hof van Justitie niet voldoen aan de EU-regelgeving”. Politici en media hebben, aldus het rapport, steeds meer de neiging om de vestiging van Oost-Europese arbeiders en de aanwezigheid van de islam af te schilderen als bedreiging voor de Nederlandse samenleving. Zo klaagde PvdA-wethouder Marnix Norder in Den Haag over de “tsnunami van Oost-Europeanen” en verklaarde Wilders dat “Oost-Europeanen misdaden plegen, zware drinkers zijn, misbruik van het stelsel van sociale voorzieningen en banen in­pikken”. Tegen het door de PVV instellen van het meldpunt voor klachten Midden- en Oost Europea­nen weigerde de Nederlandse regering op te treden. Ook tegen de qualifikatie “kopvoddentaks” door Wilders werd geen actie genomen. Verder memoreert het rapport racistische uitlatingen in de sport zoals “Hamas, Hamas, Joden aan het gas” en een toenemend aantal geweldsincidenten bij moskeeën en jegens Joden, Polen, Roma en Marokkanen.

Verder wordt er in het rapport op aangedrongen de be­hoeften van Roma, Sinti en woonwagenbewoners aan stand­plaatsen te inventariseren en te zorgen dat er daar genoeg van zijn (kan Utrecht in zijn zak steken). Geadviseerd wordt om de bepaling in de Vreemdelingenwet te schrappen waarin wordt geëist dat voor gezinshereniging van een vluchteling het gezin al moet zijn gevormd voor dat het land werd ontvlucht, geadviseerd wordt afgewezen asielzoekers die niet het land uit kunnen worden gezet voldoende ondersteu­ning krijgen, dat bepalingen worden geschrapt dat het niet tijdig halen van inburgeringsexamen wordt beboet of zelfs intrekking tot gevolg heeft van de tijdelijke verblijfsvergunning, dat leges voor verblijfsvergunningen en inburgeringscursussen betaalbaar moeten zijn (dus niet 1250 resp. 1200  euro). Tenslotte waarschuwt het rapport tegen “racial profiling” door de politie en wordt geadviseerd om meer (ook leidinggevende) politiemede­werkers te rekruteren uit etnische minderheden.

Bijzondere aandacht verdient de aanbeveling de materiële reikwijdte  van de Algemene Wet Gelijke Behandeling uit te breiden, zodat daar ook belangrijke overheidstaken onder vallen. Daar voelt de regering echter niets voor. “van de Nederlandse autoriteit [werd] vernomen dat zij niet plan zijn de materiële reikwijdt van de AWGB uit te breiden naar overheidstaken…”. Dat er uit het rapport niet valt op te maken of en in welke mate de overheid zelf zich aan discriminatie schuldig maakt valt dus eenvoudig te verklaren uit het feit dat de burger die zich over discriminatie door de overheid beklagen wil  (bijvoorbeeld over de politie of de gemeentelijke afdeling handhaving) zich daarbij niet beroepen kan op de AWGB. Reden tot klagen is er waarschijnlijk genoeg. Om dat met één voorbeeld te illustreren:

Als allochtoon krijg je niet zo maar een vergunning om een theehuis te beginnen, althans niet in Utrecht. In Utrecht mag de horeca 24 uur per etmaal open zijn. Zo niet het Marokkaans theehuis, dat moest ‘s avonds om 23.00 uur dicht. Hieronder de reden die in het besluit werd aangevoerd.

“Koffie- en theehuizen plegen over het algemeen uitsluitend bezoekers met een Marokkaanse of Turkse achter­grond aan te trekken. Vrouwen of bezoekers van Nederlandse afkomst worden er zelden of nooit waargenomen. Voorts is het eerder regel dan uitzondering dat de bezoekers voor of bij de toegang van dergelijke horecagele­gen­heden rondhangen, wat naast de geluidsoverlast die dit geeft intimiderend kan werken op passanten of bezoekers van nabijgelegen zaken. Vervolgens plegen gemotoriseerde bezoekers niet zelden de motor tijdens het bezoek te laten draaien, dubbel te parkeren, de autoradio aan te laten staan tijdens een kortstondig bezoek en hard aan- en afrijden. Een koffie- of theehuis geeft als soort horecabedrijf, met andere woorden, over het alge­meen een grotere kans op overlast dan andersoortige horecabedrijven zoals een lunchroom of restaurant.”

 

Renovatie Kanaleneiland alleen voor witte yuppen

renovatie kanaleneiland 4

De flats tussen het kanaal en het winkelcentrum Kanaleneiland worden heel mooi opgeknapt. Ze zijn gebouwd begin 70-er jaren. Mitros en Portaal wilden ze eigenlijk afbreken en vervangen door koopwoningen, maar daar hebben de bewoners (voornamelijk van Turkse en Marokkaanse afkomst) zich met succes tegen verzet.

Waar deze allochtone bewoners enorm van balen (en volkomen terecht) is dat de wijk nu wél wordt opgeknapt, maar niet voor hun. Voordat het besluit genomen werd de flats niet af te breken werden alle oorspronkelijke bewoners er eerst uitgewerkt met het verhaal dat slopen onherroepelijk was. Met het gedwongen vertrek van de allochtone bewoners was het doel van de gemeente eigenlijk al bereikt en hoefden de flats dus niet meer weg.

In 2001 besloot de gemeente akkoord te gaan met de sloop en nieuwbouw. Dat was in het kader van de “De Utrechtse Opgave” (DUO). Dat DUO-beleid was erop gericht het aandeel kansarmen (waartoe in discriminerend Nederland relatief veel allochtonen behoren) in wijken als Kanaleneiland en Overvecht terug te dringen door de flats waarin die kansarmen wonen af te breken en te vervangen door koopwoningen die alleen betaalbaar zijn voor yuppen.

Het beleid om het aandeel kansarmen in Kanaleneiland en Overvecht terug te dringen was eigenlijk een beleid gericht op vermindering van het percentage bewoners van Marokkaanse en Turkse afkomst. Zoveel Marokkanen en Turken bij elkaar zou volgens de gemeente criminaliteit in de hand werken. Het slopen van sociale huur flats paste dus in een beleid van gedwongen spreiding van allochtonen.

De woningvoorraad in Utrecht bestond in de 90-er jaren nog voor bijna de helft uit sociale huurwoningen. Partijen als GroenLinks en de PvdA, die beweren voor kansarmen en minderheden op te komen, vonden dat dat aandeel best minder kon: 30%. Ze stemden immers met alle gebiedsplannen in waarmee uitvoering werd gegeven aan het DUO-beleid.

Als de renovatie klaar is worden de allochtone bewoners die gedwongen waren daar te vertrekken uitgenodigd om te komen kijken hoe mooi zij hadden kunnen wonen als ze niet kansarm en allochtoon waren geweest.