Koolstofkolonialisme

REDD
De gemeente wil in 2012 de Utrechtse jaarlijkse CO2-uitstoot met 75.000 ton reduceren. Ook heeft de gemeente Utrecht in 2008 en begin 2009, samen met andere koplopende (Utrecht, Utrecht über alles) gemeenten een road­map ontwikkeld voor een CO2-neutrale gemeentelijke organisatie in 2012”, zo valt te lezen op de website van klimaatbos-léon, een initiatief voortgekomen uit de stedenband Utrecht-Léon (Nicaragua).

Het planten van bomen ergens in de wereld levert CO-2 kredieten op en die CO2-kredieten mogen dan afgetrokken worden van de CO2 die elders worden uitgestoten, bijvoorbeeld in Nederland en Utrecht. Dus als je nu maar genoeg klimaatbos aanplant in één land waar bomen goed groeien en je goedkoop aan grond kan komen hoef je je eigen CO2-uitstoot nauwelijks terug te dringen en kan je dus verder leven alsof er geen klimaatprobleem bestaat.

Dit systeem wordt gesierd met het begrip Reducing Emissions from Deforestation and Degradation. Afgekort: REDD. Een booming-business, want niet alleen biedt elke luchtvaarmaatschappij de schuldbewuste reiziger aan bomen te planten voor elke vliegreis, ook grijpen overheden in rijke landen de kans aan om hun CO2-uitstotende economie en automobiliteit geen beperkingen op te hoeven leggen.

Als je goed zoekt vind je op internet, tussen alle jubelende sites van bedrijven die flink aan deze handel verdienen ook enkele kritische sites aan. Zo’n kritische site is bijvoorbeeld die van Carbon Trade Watch met veel informatie over REDD. Naast het bezwaar dat deze handel in CO2-emissies bedrijven en regeringen die verantwoordelijk zijn voor veel CO2-uitstoot in staat stelt daar rustig mee door te gaan, wordt gewezen op de fundamentele onrechtvaardigheid van het systeem.

Die onrechtvaardigheid bestaat daaruit dat inheemse bevolking makkelijk verdrongen wordt onder druk, met geweld of door­dat gronden opgekocht worden, waarvan zij voor hun voedselproductie afhankelijk zijn. Lokale boeren wordt in het vooruitzicht gesteld dat ze wat kunnen verdienen aan de opbrengst van CO2-kredieten, maar inmiddels zijn die waardeloos omdat die in grote hoeveelheden gratis aan bedrijven worden uitgedeeld. In veel gevallen leidt de bosaanplant overigens tot omvang­rijke monoculturen, verlies van biodiversiteit en een verdere verlaging van de grondwaterstand.

 

Ecologische schuld

Volgens beleidsmakers en politici moet de reductie van de uitstoot van CO2 voornamelijk plaatsvinden door hier en in ons eigen land minder energie te gebruiken en de energie die wij gebruiken duurzaam op te wekken: water, wind, zon, aardwarmte e.d.

Waar volledig aan voorbij wordt gegaan is de energie die nodig is om in andere landen producten te maken die wij hier kopen. En natuurlijk de energie die nodig is om die producten te transporteren, vaak van de andere kant van de wereld met grote vrachtschepen en door de lucht.

Denk niet alleen aan duurzame producten, maar ook aan voeding, veevoeders, vlees, bloemen, aardolie, e.d. De energie die nodig is voor de productie en het transport ontbreken op onze energiebalans.

Nu zou dat niet zo’n probleem zijn als goederen die geïmporteerd worden zouden kunnen worden weggestreept tegen de goederen die geëxporteerd worden naar landen waar onze import vandaan komt. Maar dat is maar zeer ten dele het geval.

Dankzij de vrijhandel en het feit dat producten in arme landen veel goedkoper gemaakt kunnen worden (lage lonen, goedkope grondstoffen, minder strenge milieu eisen) heeft de productie zich naar arme en minder welvarende landen verplaatst. Maar daarmee dus ook de CO2-uitstoot van die productie.

Ruim de helft van de CO2-uitstoot in landen als China en andere opkomende industrielanden moet toegeschreven worden aan de productie van goederen die voortgebracht worden om naar Europa en de VS te exporteren. Dat is dus eigenlijk onze CO2, waar wij lage lonen – en goedkope grondstoffen landen mee laten zitten.

Een eerlijk klimaatbeleid houdt dus in dat welvarende landen zich niet alleen verantwoordelijk achten voor de CO2-uitstoot in eigen land, maar ook voor de CO2-uitstoot die in minder welvarende en arme delen van de wereld plaatsvindt om welvarende landen van goedkope producten te voorzien.

Dat houdt de erkenning in van een ecologische schuld van welvarende aan minder welvarende landen die ingelost moet worden door extra reductie van CO2 in de welvarende landen en door financiering van voorzieningen die in minder welvarende landen nodig zijn om de gevolgen van klimaatopwarming op te vangen.

 

 

 

Minder productie, meer welvaart

Economische groei is een heilige koe in de politiek. Op de Partij voor de Dieren na (waarvoor hulde) is groei voor alle politieke partijen vanzelfsprekend. Het verschil tussen politieke partijen is dat de één vindt dat er aan die groei geen grenzen mogen worden gesteld en dat de ander vindt dat die groei al­leen acceptabel is als die groen en duurzaam is. Maar dat economische groei en ontwikkeling zoveel mogelijk toch moet kunnen plaatsvinden staat voor vrijwel alle partijen vast.

Economische groei wordt wenselijk gevonden omdat dat zou leiden tot meer welvaart. Meer wel­vaart houdt in dat mensen meer spullen en diensten kunnen aanschaffen, waardoor ze meer van hun leven kunnen genieten. Economische groei wordt ook wenselijk gevonden omdat daardoor nieuwe banen zouden ontstaan en banen zouden nodig zijn om mensen een zinvol bestaan te garanderen dat zon­der baan kennelijk niet goed mogelijk zou zijn.

Of mensen inderdaad meer van hun leven genieten naarmate ze meer spullen en diensten kunnen kopen is de vraag. Bezit geeft ook zorgen. Je moet het allemaal maar opruimen, zorgen dat het niet zoek raakt, niet kapot gaat of niet gepikt wordt. Het is waarschijnlijk zo dat, als een bepaald welvaarts­ni­veau bereikt is, de behoefte aan meer gewekt wordt doordat men zich door rijkdom wil onderscheiden.

Of banen nodig zijn om mensen een zinvol bestaan te garanderen is de vraag. Het werk waartoe mensen vaak gedwongen worden is even zo vaak helemaal niet prettig en zinvol. Dat is ook waarom de poli­tiek in grote meerderheid vindt dat er een flink verschil moet zijn tussen minimuminko­men en uitkering en waarom er strafkortingen moeten worden opgelegd aan uitkeringsgerechtigden die niet voldoende hun best doen om werk te vinden.

Economische groei wordt overigens ook gepropageerd met het argument dat welvaart daardoor ook binnen het bereik komt van mensen die in armoede leven. Ook dat is geen sterk argument. Dat doel valt immers makkelijk te bereiken door welvaart gelijk te verdelen. Bovendien heeft economische groei  vaak tot gevolg dat armen juist armer worden. Zie de extreme armoede en uitbuiting in la­ge lonen landen waar onze goedkope textiel wordt geproduceerd en schaarse grondstoffen voor onze groeiende industrie vandaan komen.

Waarom dan toch de vanzelfsprekendheid van economische groei? Om daar een antwoord op te be­denken is het belangrijk er rekening mee te houden dat economische groei eerst en vooral profijte­lijk is voor een relatief kleine bovenlaag in de samenleving, die veel invloed heeft omdat die in po­litieke partijen en in de wetenschap sterk vertegen­woordigd is en er daardoor in slaagt wat voor hen profijtelijk is wetenschappelijk uit te leggen en aan het publiek te verkopen als algemeen belang.

Dat de economische groei die vooral na de 70-er jaren (mogelijk vooral door de digitalisering) heeft plaatsgevonden voornamelijk aan een kleine bovenlaag ten goede is gekomen werd reeds door Mar­cel van Dam aangetoond in ‘Niemandsland’ (2009). De welvaart voor de laagste 10% inkomens nam van­af 1980 met 10% afgenomen af, die van de 10% hoogste inkomens met 60% toe.

Wie er van de economische groei profiteert is duidelijk. Dat degenen die van de groei profiteren die groei propageren ligt voor de hand: de mensen die er niet van profiteren en er door op achterstand worden gezet moet wijsgemaakt wor­den dat economische groei ook hun voor­deel oplevert. Mis­schien niet meteen, maar toch zeker in de toekomst of in het hiernamaals.

In dit verhaal willen we laten zien dat het bestrijden van armoede en het eerlijk verdelen van welvaart één van de belang­rijkste argumenten is om van economische groei af te zien. Wat natuurlijk ook een zegen zou zijn voor het milieu en het klimaat. Dat economische groei tot meer welvaart leidt valt, daar zijn drie belangrijke argumen­ten tegen in te brengen.

1. Hueting: wat is de natuur ons waard?
Het eerste argument is bekend, dat is daar al vaak tegen ingebracht. Om te beginnen door R. Hueting in ¨Nieuwe schaarste en economische groei: Meer welvaart door minder productie?¨ (1974), vooraf­gegaan door een serie artikelen onder de titel ¨Wat is de natuur ons waard?¨. Zijn kritiek op econo­mische groei was niet welkom en heeft in de politiek dus geen na­volging gevonden. Terecht wees hij erop dat verlies van natuur, van speelgele­genheid op straat, van schone lucht en schoon water, in de berekening van nationaal inkomen en van welvaartstoename niet als kosten worden meegenomen. Ook wordt geen rekening gehouden met verlies van vrije tijd. En evenmin met het welbevin­den van dieren. Alsof het enige wat er toe doet is wat mensen tot voor­deel strekt.

2. Verdienen aan gebakken lucht.
Waar maar weinig bij wordt stil gestaan is dat veel inkomens worden verdiend zonder dat daar een product of dienst tegenover staat dat op de één of andere manier aan welvaart bijdraagt, anders dan aan de welvaart van degenen die die inkomens incasseren. Duizenden beleidsnotities worden er bij de overheid opgesteld die door vrijwel niemand gelezen worden. Professionele begeleiding wordt aan mensen opgedrongen die beter af zouden zijn als zij hun eigen zaken zelf mochten regelen. Veel ver­orde­ningen worden ontworpen en gehandhaafd om geen andere reden dan juristen die daarmee belast zijn van werk te voorzien. Singels worden gedempt en een tiental jaren later weer open gegra­ven, kostbare bouwwerken en woningen worden gerealiseerd die amper dertig jaar later weer wor­den afgebro­ken. Volstrekt overbodige publieke werken worden uitgevoerd om wegen­bouwers en hun ambtelijke collega’s van werk te voorzien. Kortom, er wordt enorm veel inkomen verdiend, voornamelijk door hoogopgeleiden, waar geen enkel nut tegenover staat. (David Graeber: ‘On the phenomenon of Bullshit jobs’).  Onze welvaart zou er niet minder om zijn als de mensen die op zo’n manier een inkomen ‘verdienen’ een basisinkomen zouden ontvangen zonder daar iets voor te doen. Het zou enorm besparen, want een basisinkomen ligt een stuk lager dan wat de hoogopgeleide elite verdient.

3. Verdienen ten koste van mensen
Waar overigens weinig bij wordt stil gestaan is dat economische groei niet alleen gericht is op het voort­brengen van al dan niet waardeloze producten en diensten, maar natuurlijk ook en vaak juist op het verdie­nen daaraan. In een economie als de onze, waarin iedereen geacht wordt voor zichzelf op te komen gaat het inkomen en de welvaart van de één makkelijk ten koste van die van de ander. Vaak is de productie van diensten en producten, zeker als het om waardeloze producten en diensten gaat, op weinig anders gericht dan op het zich ten koste van de consument, burger, huurder of belasting­betaler van een inkomen te voorzien. We illustreren dat met twee voorbeelden.

Stedelijke vernieuwing
In 2002 besloot de gemeente Utrecht in het kader van een landelijk beleid 10.000 na-oorlogse sociale huur­wonin­gen te slopen en groten­deels door koopwoningen te vervangen (‘De Utrechtse Opgave’). Bij deze ‘stadsvernieuwing’ waren in Utrecht tientallen ambtenaren betrokken om gebiedsplannen te maken. Bij de woningcorporaties leverde het werk op aan een flink aantal gebiedsmanagers met me­dewerkers. Ook een aantal opbouwwerkers had er mooie baan aan, want de plannen moes­­ten de huurders door de strot worden geduwd. Universitaire instellingen pikten ook een graantje mee, want er moest aangetoond worden dat de huurders tevreden waren. Het aantal woningen ná de stadsver­nieuwing was gelijk. De nieuwe woningen waren niet groter. Ze waren wel beter geïsoleerd, maar dat had met re­novatie (een stuk goedkoper) ook gekund.

Dat de sloop en nieuwbouw tot doel had geld te maken wordt bevestigd door het rapport ‘Kosten en kostendragers trans­formatieopgave Stedelijke Ver­nieu­wing’, (2002). Daarin werd berekend dat deze stadsvernieuwing 17 miljard gulden zou op­leveren. Daar konden heel wat ambtenaren, gebiedsma­nagers, opbouwwerkers en universitaire onderzoekers mee aan het werk gehouden worden. Die 17 miljard gulden moest worden opgebracht uit hogere huren en door woningzoekenden die konden kiezen tussen woningzoekend te blijven of zich diep in de schulden te steken voor een koopwoning.

NSL: ultieme smokkelstap
Tijdens het wetgevingsoverleg op 25 september 2006 zei PvdA- kamerlid Diederik Samsom over het Natio­naal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit: “Dat NSL is in de ogen van mijn fractie de ultie­me smokkelstap (…) om met gegeven luchtvervuiling alsnog de goedkeuring voor bouwprojecten er doorheen te smokkelen, een goedkeuring die er anders niet zou komen (…) een bureaucratisch monstrum, dat beleidsambtenaren, juristen en adviesbureaus gouden tijden zal bezorgen”. Samsom is een belangrijke man en die kan het weten.

Twee jaar later werd het NSL onder PvdA-minister Jacqueline Cramer doorgevoerd. Het NSL heeft de lucht in Nederland geen spat schoner gemaakt. Volgens Samsom was dat ook helemaal de bedoeling niet. De bedoeling was een ondoorgrondelijk schoonrekensysteem in te voeren zodat bouwprojecten doorgang konden vinden die de lucht verder zouden vervui­len. En inderdaad honderden beleidsamb­tenaren, juristen, milieuprofessionals werkzaam bij rijksinstituten en adviesbureaus verdienen daar goed aan, wat bijdraagt aan de groei van het nationaal inkomen en dus aan onze welvaart, maar bepaald niet aan schone lucht.

Tegen economische groei
Economische groei komt er dus eigenlijk op neer dat een bovenlaag van voornamelijk hoogop­ge­leiden zich verrijkt ten koste van mensen die het met een schamel inkomen moeten doen en dat klaarspeelt doordat zij in de politiek sterk vertegenwoordigd is en daardoor regelgeving, plan­nen en beste­dingen zo kan sturen dat het hoogopgeleiden van lucratieve handel en carrières voorziet, die echter leiden tot veel verkwisting en niet bij­dragen aan een beter leven voor iedereen. Integendeel, er zijn forse bezuinigingen nodig op lage inkomens, uitkeringen en ele­mentaire voorzieningen om deze voor de bovenlaag profijtelijke economische groei gaande te houden.

Economische groei wordt niet alleen betaald door de mensen met lage inkomens en uitkeringen in ons land, omdat hun achterstelling voor een deel wordt gecompenseerd door import van goedkope producten uit arme landen die daar tegen extreem lage lonen worden geproduceerd.

Tenslotte: economische groei gaat niet alleen ten koste van de natuur in ons land, maar nog veel meer van de natuur in lan­den waar de winning van schaarse grondstoffen met veel natuurvernietiging gepaard gaat.

Conclusie: het tegengaan van economische groei is én in het belang van arme mensen en arme lan­den én in het belang van het milieu.

De Mythe van de Groene Economie

Anneleen Kenis en Matthias Lievens schreven een helder en zeer informatief boekje, waarin de mythe van de groene economie wordt geanalyseerd. Het verscheen in 2012 bij Jan van Arkel. De strekking is dat duurzame of groene economie windowdressing is om niet af te hoeven zien van economische groei.
Hieronder een samenvatting met een aansporing om het boek zelf te lezen en te herlezen.

mythe groene economie

Twee van de grootste milieuproblemen zijn klimaatverandering en de toename van het energiege­bruik. Klimaatverandering leidt tot afsmelten van polen en gletsjers, stijgen van de zeespiegel en overstromingen, tekorten aan zoet water, oceaanverzuring, steeds meer stormen, verlies van biodi­versiteit, ecocides (vernietiging van ecologische condities met als gevolg massale sterfte), mondiale toename van vluchtelingen en de reactie van welvarende staten: versterking van staatsgrenzen om vluchtelingen buiten te houden.

Omdat olie- en gaswinning steeds meer kosten met zich meebrengt (makkelijk te ontginnen velden raken uitgeput), het gebruik van steenkool met het oog op klimaatverandering moet worden afge­bouwd en het energiegebruik blijft toenemen, wordt olie steeds meer gewonnen uit teerzanden en landbouwgewassen en wordt steeds meer schaliegas gewonnen. De gevolgen zijn vernietiging van natuur, vergiftiging van het milieu en verdringing van voedselproductie door agrobrandstofproduc­tie, met name in arme landen.

Het bezwaar van de auteurs tegen groene economie is dat er wordt uitgegaan van de opvatting dat wij er allemaal (rijk en arm) belang bij hebben de economie te vergroenen en dat er geen belangen­tegenstellingen bestaan die effectieve energie- en klimaatmaatregelen in de weg staan. Scheve machtsverhoudingen en sociale ongelijkheid zouden niet relevant zijn, terwijl die het juist zijn die maken dat er geen noodzakelijke maatregelen worden genomen en dat de kosten van de maatrege­len dié er genomen worden, worden afgewenteld op de minst draagkrachtigen. Volgens de auteurs is het daarom zaak belangentegenstellingen en scheve machtsverhoudingen bloot te leggen. Veel groe­ne partijen en organisaties kiezen echter voor overleg en samenwerking met de machtigen gericht op vergroening van de markteconomie.

Wat hebben de auteurs precies tegen vergroening van de markteconomie? Dat het de wortel van het kwaad niet aanpakt: de ongebreidelde werking van het marktmechanisme. In lokaal verankerde eco­nomieën, waarin particulieren zich natuurlijke hulpbronnen niet toegeëigend hebben, kan vrije markt geen kwaad. De kleine schaal brengt met zich mee dat er voldoende terugkoppeling is: men­sen kunnen meteen zien wat de gevolgen zijn van hun handelen voor de natuur en de medemens en kunnen daarop aangesproken worden. Particuliere toeëigening van natuurlijke hulpbronnen en de ontwikkeling van grootschalige vrije markten maakt gevolgen van economisch handelen voor na­tuur en medemens echter onzichtbaar. Bijgevolg kan men winst, efficiency en groei najagen zonder oog in oog te hoeven staan met de roofbouw en de uitbuiting die daar het gevolg van zijn. “Het gro­tere plaatje blijft zo vaak onzichtbaar.”

Waar vergroening van de markteconomie toe leidt, wordt geïllustreerd met voorbeelden ontleend aan het systeem van de emissiehandel waartoe in Kyoto (1997) werd besloten. Bij het opzetten daarvan kregen bedrijven emissierechten naar de mate waarin zij jaarlijks tonnen CO2 uitstootten. De bedoeling was om het jaarlijks te verstrekken aantal emmissierechten geleidelijk af te bouwen. Bedrijven die hun CO2-uitstoot effectief terugdringen, zouden emissierechten overhouden en mogen verkopen. Die zouden dan gekocht kunnen worden door bedrijven die tekortkomen omdat zij min­der of geen effectieve maatregelen nemen. Het systeem geldt alleen voor de landen die het Kyoto-protocol hebben ondertekend, waardoor bedrijven kunnen dreigen zich te verplaatsen naar landen die het protocol niet hebben ondertekend. Er waren en zijn veel te veel emissierechten in omloop, doordat nationale staten bij het opzetten van het systeem de binnenlandse uitstoot overdreven (om de nationale industrie te beschermen). Controle op de juistheid van door nationale staten verschafte gegevens is nauwelijks mogelijk. Als voorbeeld wordt Polen genoemd, dat emissierechten claimde voor een niet bestaande industriële vestiging. Het systeem had en heeft slechts een miljardenhandel in emissierechten tot gevolg, maar draagt niet bij aan het terugdringen van de uitstoot.

Overigens, Kyoto-landen kunnen hun CO2-uitstoot ook compenseren door waar dan ook ter wereld te investeren in bosaanplant of het schoner maken van productieprocessen in landen waar grote ver­betering mogelijk is tegen relatief lage kosten. Bosaanplant in Uganda (waarvoor 6000 boeren wer­den verjaagd) leverde de nodige compensatie op om in Nederland nieuwe steenkoolcentrales te kun­nen bouwen. Wat het schoner maken betreft van productieprocessen in minder ontwikkelde landen geven de auteurs als voorbeeld: installaties om broeikasgassen te vernietigen die vrijkomen bij de productie van koelkasten leverden zo veel verhandelbare emissierechten op dat de productie van koelkasten bijzaak werd en enorm toenam. Ander voorbeeld: bij de productie van adipinezuur komt lachgas vrij (een broeikasgas dat 296 zo sterk is als CO2). De vernietiging van dat lachgas levert zo veel ‘koolstofkredieten’ op dat de productie van adipinezuur alleen al daarom interessant was en dus werd opgevoerd. De auteurs vermelden dat de Nederlandse regering plande voor de periode 2008 – 2012 twintig miljoen koolstofkredieten per jaar aan te kopen, waarmee de totale Nederlandse CO2-reductiedoelstelling zou kunnen worden afgekocht.

Ook in andere opzichten blijkt vergroening van de economie een illusie. Opslag van CO2 brengt het risico met zich mee van lekkages. Bij concentraties van 2% ontstaan al ademhalingsproblemen en concentraties van 7 à 10% zijn dodelijk. Kernenergie brengt ook veiligheidsrisico’s met zich mee. Niet alleen straling, maar ook de beschikbaarheid van kernwapens. Bovendien is de voorraad urani­um zo beperkt dat die snel zou zijn uitgeput. Bij de omvang het huidige gebruik (14% van de elek­triciteit wordt door kernenergie opgewekt) zou de voorraad binnen 80 jaar zijn uitgeput. Agrobrand­stof gaat ten koste van de voedselvoorziening en heeft ontbossing en verlies van biodiversiteit tot gevolg. Duurzame houtproductie (FSC) blijkt door het ontbreken van controle een grote klucht. Technologische vooruitgang (schone en zuinige motoren en installaties) blijkt ertoe te leiden dat er juist meer energie wordt gebruik en meer kilometers worden afgelegd (Jevons’ paradox). Bovendien wordt altijd over het hoofd gezien dat de productie van (nog) schonere en (nog) zuiniger installaties en motoren op zich voor veel extra CO2-uitstoot zorgt. De bouw van een schone, zuinige auto levert evenveel CO2-emissie op als er meerdere jaren in rondrijden. Afremmen van de bevolkingsgroei blijkt niet te werken, althans niet zonder dat er eerst een minimaal welvaartsniveau gegarandeerd is. Tenslotte is er de optie van de individuele gedragsverandering. Daarvan menen de auteurs dat dat als uitdrukking van betrokkenheid natuurlijk heel goed is, maar dat het structureel niets oplost.

De conclusie is dat het substantieel terugdringen van energiegebruik en welvaartsniveau de enige optie is, wat alleen mogelijk is als tegelijk de ongelijke verdeling van welvaart wordt bestreden. On­der het motto meer groen, minder economie pleiten de auteurs met name voor de ontprivatisering van kennis, software, natuur, publieke ruimten, natuurlijke hulpbronnen (bv. water, schone lucht, bossen, weidegronden), zodat ze geen object van winstbejag meer kunnen zijn. Het gemeenschap­pelijk gebruik van middelen maakt een grote reductie mogelijk van energie en grondstoffengebruik. Auteurs pleiten verder voor uitbreiding van hergebruik (ruilbeurzen), terugdringen van automobili­teit ten gunste van openbaar vervoer, decentrale energievoorziening (windmolens en zonnepanelen), stadsmoestuinen en herbebossing. Als voorbeeld worden de maatregelen genoemd die Cuba moest nemen toen de olieleveranties door de Sovjet-Unie stopten, waardoor Cuba het enige min of meer ontwikkelde land ter wereld is met een ‘duurzame ecologische voetafdruk’ (WWF).

In het slothoofdstuk gaan de auteurs in op de vraag wat actieve burgers zelf kunnen doen om het on­heil te keren. De boodschap is dat zij dat niet van de overheid en de machtigen moeten verwachten en dat dus burgerlijk verzet en actie geboden zijn. En dat die heel wat tot stand kunnen brengen. Een optimisme dat de auteurs menen te kunnen ontlenen aan wat er in het verleden allemaal bereikt is met stakingen, vakbondsacties en verzet van arbeiders en studenten (jaren ’68) en met acties van de plaatselijke bevolking in bv. Niger, Bolivia, Venezuela en Zuid-Mexico tegen olie-uitbuiting en landroof i.v.m. de productie van agrobrandstof. De auteurs bepleiten solidarisering met arbeiders in ongezonde en schadelijke industrieën, met het ecologisch proletariaat in arme landen en met kli­maatvluchtelingen. “Inheemsen zijn de voorhoede in de strijd om de planeet te redden”.

De mythe van de groene economie is een boek dat rijk is aan informatie, met uitgebreide en interes­sante literatuurverwijzingen. Een boek dat je paar keer moet lezen om eruit te halen wat er in zit. Dat klimaatverandering en ecocide zouden kunnen worden bestreden met maatregelen die passen in een vrije markteconomie is een opvatting waar de auteurs veel steekhoudende argumenten tegen aanvoeren. Wie gelooft dat de overheid bereid en in staat is om tijdig en krachtig in te grijpen om het onheil te keren, moet daar na het lezen van het boek toch erg aan gaan twijfelen. Het is dus heel goed dat de auteurs oproepen tot verzet, burgerlijke ongehoorzaamheid en acties.

Wat echter in het boek ontbreekt, is een hoofdstuk waarin een verklaring wordt gegeven voor het feit dat de overheid het zo verschrikkelijk laat afweten en noodzakelijke maatregelen juist in de weg staat. Een verkla­ring die duidelijk maakt waarom de overheid voornamelijk de belangen behartigt van machtige economische actoren. Verzet, acties en burgerlijke ongehoorzaamheid kunnen alleen effectief zijn als burgers de overheid niet langer zien als onafhankelijke hoeder van het algemeen belang, maar als nauw vervlochten met machtige economische actoren en als zodanig als tegenstander in de strijd tegen klimaatverandering en milieuvernietiging.

 

Propaganda in plaats van voorlichting

Eerder berichtten wij dat het klimaatbeleid van de gemeente Utrecht veel kost maar zo goed als niets oplevert. (Zie ‘Rampzalig klimaatbeleid’). Dat oordeel is gebaseerd op de uitkomsten van een evaluatie die in opdracht van de gemeente is verricht. Op de website van de gemeente is het rapport niet terug te vinden, daarom publiceren wij het hier: harmelink evaluatie

Van dat negatieve oordeel is in de voorlichting van de gemeente weinig terug te vinden, zoals blijkt uit de publicatie ‘Energie van de stad 2014’, waaraan wij de volgende grafiek ontlenen.

CO2-uitstoot per jaar in Mton

Als je afgaat op de staafjes dan is de CO2-uitstoot in de periode 2009 – 2012 spectaculair gedaald: met pakweg 27%.  Vergelijk je echter de getalletjes in de staafjes, dan is de daling 0.54 %. Kortom, hier is een reclamebureau aan het werk geweest dat geen al te hoge dunk heeft van het IQ van de Utrechtse burger.

In de Base line study CO2 Utrecht 2008 – 2013 troffen wij een heel andere grafiek aan, die de waarheid waarschijnlijk minder geflatteerd weergeeft.

totale CO2 emissie Utrecht

Opmerkelijk is overigens dat beide grafieken de suggestie wekken dat er iets bekend zou zijn over de CO2-uitstoot vóór het 2010. In het evaluatie-rapport van Hamelink lazen wij echter dat er over de jaren vóór 2010 geen data bekend zijn.

Kortom, het is bij voorlichting van de gemeente Utrecht over de CO2-uitstoot al niet anders dan bij die over fijnstof en NO2: de waarheid moet wijken voor het goede nieuws dat de gemeente het allemaal fantastisch doet.

Stadsgesprek energie: kostbare manipulatie

Of wethouder Lot van Hooijdonk het boekje van David Reybrouck ‘Tegen Verkiezingen’ zelf gelezen heeft valt te betwijfelen, want zoals de stadsgesprekken energie werden georganiseerd, zo kan Reybrouck dat toch echt niet bedoeld hebben. De totale kosten bedroegen overigens 437.865 euro. Je leest het goed: bijna een half miljoen.

Reybrouck kritiseert het politiek systeem omdat dat in handen is van een hele kleine groep van overwegend hoogopgeleiden. Die kritiek is niet nieuw. We treffen die kritiek ook aan bijvoorbeeld bij de Utrechtse hoogleraar Van Bovens (De diploma democratie.2006).

De oplossing die Reybrouck aan de hand doet is om de mensen die ons vertegenwoordigen door loting aan te wijzen, zodat iedereen, ongeacht inkomen en opleiding, dezelfde kans heeft om gekozen te worden en volksvertegenwoordiger te worden.

Eén van de problemen die je niet oplost door vertegenwoordigers door loting aan te wijzen is het probleem dat vertegenwoordigers, of ze nu gekozen worden of door loting worden aangewezen, in hoge mate afhankelijk zijn van de informatie die zij krijgen van interne- en externe deskundigen van de overheid.

Het verschijnsel van de ‘vierde macht’ (de macht van de ambtelijke dienst) wordt verklaard door het kennis- en informatie overwicht van de ambtelijke dienst. Als zelfs gekozen politici door de ambtelijke dienst qua informatie onder de voet gelopen worden, dan is dat bij burgers die door loting aangewezen worden nog veel meer het geval.

Voor de inhoudelijke begeleiding was een overeenkomst gesloten met het commerciële adviesbureau Ecofys (75.000 euro). Verder werden de deelnemers onderwezen en voorgelicht door wethouder Van Hooijdonk en dr.Ivo Opstelten. En verder waren er deskundigen van Eneco, ASR, Stedin, Duravermeer Van Ieperen, BO-EX en de gemeente Utrecht. Een wel zeer eenzijdig samengesteld gezelschap dus.

Lezen we de sfeerverslagen van de hand van ‘energie journalist’ Rolf de Jong, dan waren de stadsgesprekken over energie erg geslaagd. Geen wonder, want deze ‘energiejournalist’ werd goed betaald voor het opstellen van die sfeerverslagen en blijkt bovendien senior consultant te zijn van Ecofys en Ecofys wil natuurlijk nog wel meer van die lucratieve klussen hebben. Misschien de volgende keer toch maar een onafhankelijke en echte journalist nemen om de sfeerverslagen te schrijven.

Of je geïnformeerd wordt over klimaat/energie door commerciële adviesbureaus, die uit de hand van de overheid eten, en het bedrijfsleven of dat je het verhaal hoort van Greenpeace, Milieudefensie of de Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht maakt natuurlijk een wereld van verschil. De wethouder vond het dus belangrijk dat de burgers niet het verhaal zouden horen van milieuorganisaties.

De zeer eenzijdige voorlichting blijkt uit de aan de deelnemers getoonde factsheets, het Ecofys document ‘Energiegebruik in Utrecht’ (dat weer grotendeels teruggaat op door de gemeente aangeleverde cijfers) en uit de resultaten van de gesprekken. De nadruk ligt in alle gevallen op hoe de energievoorziening op een meer duurzame manier kan worden gewaarborgd.

Dat de gemeente moet stoppen om steeds meer pakeervoorzieningen te realiseren, de stad met asfalt te bedekken, ongelijkvloerse kruisingen te realiseren om autoverkeer te bevorderen, steeds meer verkeersaantrekkende hoogbouw in het stationsgebied te realiseren, dat wij moeten stoppen om de economie aan te jagen en in plaats daarvan de overvloedige welvaart eerlijker moeten verdelen, daar mocht kennelijk allemaal niet over gepraat worden. Dat zal je van Ecofys ook niet te horen krijgen.

Kijk je naar wat er uiteindelijk uit die stadsgesprekken gekomen is, dan moet je daar de conclusie uit trekken dat de beleidsmakers daar alle kanten mee uit kunnen en van elke uitwerking kunnen beweren dat dat uit de stadsgesprekken gekomen is en dus helemaal in de geest van Reybrouck is uitgebroed.

Kortom, het zou interessant zijn aan David Reybrouck te vragen of deze wel zeer kostbare manipulatie (437.865 euro) van 150 door loting aangewezen burgers nu wel is wat hij in zijn boekje heeft gepropageerd.

Rampzalig klimaatbeleid

In opdracht van de gemeente heeft Harmelink consulting het energiebeleid van de gemeente over de jaren 2011-2014 aan een evaluatie onderworpen. Welnu, het aandeel hernieuwbare energie kwam eind 2013 niet verder dan 1%. De gemeente is niet in staat geweest om investeringen in grootschalige duurzame energieopwekking te realiseren. Utrechters tonen weinig bereidheid om een lening aan te gaan voor investeringen in energiebesparing. In de periode 2010-2013 daalde de uitstoot van CO2 met 5%. (Nederland 9%). Dat is veel te weinig om in 2030 klimaatneutraal te zijn. Het beleid zou wel hebben bijgedragen aan extra aandacht voor energiebesparing, maar die extra aandacht heeft dus weinig opgeleverd. Voor het beleid was voor de periode 2011-2014 6,5 miljoen uitgetrokken, eind 2014 was daarvan slechts 45% besteed. Aldus de belangrijkste conclusies van het vernietigende rapport.

De doelstelling voor 2020 was om de CO2 emissies met 30% te verminderen t.a.v. 1990. Maar omdat niet berekend zou kunnen worden wat de CO2 uitstoot in 1990 was, is het jaar 2010 als basisjaar genomen. Dat komt natuurlijk neer op een zeer aanzienlijke verlichting van de opgave. Immers, of je de CO2-uitstoot ten opzichte van 1990 of ten opzichte van 2010 met 30% vermindert, dat maakt natuurlijk een wereld van verschil. In 1990 had Utrecht 230.676 inwoners. In 2010 307.124. Kortom, als de gemeente 1990 als basisjaar had genomen, zoals de bedoeling was, dan zou er van een afname van de CO2-uitstoot in Utrecht in het geheel geen sprake zijn geweest. Eerder een forse toename.
C02-emissies gemeente Utrecht
Als we figuur 6 C02 emissies gemeente Utrecht, footprint’ moeten geloven is de bijdrage van mobiliteit aan de totale CO2 uitstoot 20%. Dat kan niet juist zijn. Landelijk ligt dat aandeel sinds 2000 al ruim boven de 20%. In een grote stad is het aandeel uiteraard hoger dan het landelijke gemiddelde, maar bovendien is Utrecht een sterk groeiende stad. Dat betekent dat mobiliteit niet 300 ton CO2 in de lucht brengt, maar waarschijnlijk het dubbele: 600 ton CO2. En dat betekent dat de CO2-uitstoot in Utrecht sinds 1990 (toen er veel minder verkeer was) inderdaad juist sterk is toegenomen. Dankzij het verkeer.
Overigens, Harmelink consulting heeft lang niet alle CO2-uitstoot meegerekend die aan Utrecht zou moeten worden toegerekend. Alle bouwmaterialen die in Utrecht worden gebruikt (en er wordt heel wat gebouwd), alle food en non-food producten die wij kopen worden ergens buiten Utrecht geproduceerd en ook daarbij wordt zeer veel CO2 uitgestoten. De CO2 die in landen als China, India, Korea, Thailand e.d. wordt uitgestoten wordt voornamelijk uitgestoten om het Westen van consumptieartikelen te voorzien en dus is dat ook onze CO2. En dus moet die meegerekend worden.
Kortom, die klimaatdoelen, daar moeten we ons in Utrecht met dit gemeentebestuur dus maar helemaal geen illusies over maken.

Milieuzone, een kapitalistische maatregel

Opmerkelijk is dat de milieuzone voor personen- en bestelwagens vrijwel alleen wordt onderbouwd met het argument dat daardoor de concentratie roet zou afnemen. Voorstanders van de milieuzone weten dat door de maatregel de concentratie NO2 niet of nauwelijks afneemt. Diesels euroklasse 3, 4 of 5 stoten, zo blijkt uit praktijktests, veelal meer NOx uit dan diesels euroklasse 2. Met andere woorden, het invoeren van de milieuzone maakt het juist moeilijker om in 2015 aan de wettelijke EU-normen te voldoen.

Dát de concentratie roet afneemt door de milieuzone staat overigens helemaal niet vast. Daar zijn nogal tegenstrijdige berichten over. In 2012 schreef het college aan de Utrechtse raadscommissie Stad & Ruimte dat er een nauwe correlatie bestaat tussen NO2 en roet. Dat betekent dat als de concentratie NO2 niet afneemt, de concentratie roet ook niet afneemt.

Waar niemand het over heeft is het effect van de milieuzone maatregel op de uitstoot van CO2, belangrijk voor het klimaat. Ook Milieudefensie, een warm voorstander van de milieuzone, beoordeelt die maatregel niet op de effecten voor het klimaat. Die zijn echter zeer negatief.

In de eerste plaats wordt de milieuzone gepropageerd om niets te hoeven doen aan de omvang van het autoverkeer. Automobiliteit is namelijk een heilige koe. Daar mag je niet aankomen want dat zou investeerders afschrikken en Utrecht heeft de ambitie om zoveel mogelijk kantoren in het stadscentrum te realiseren en bedrijven te interesseren voor vestiging in Utrecht. De gemeente weigert al jaren volumemaatregelen te nemen (om het aantal afgelegde autokilometers terug te dringen)  In ‘Utrecht, aantrekkelijk en bereikbaar’ staat uitdrukkelijk de doelstelling dat de binnenstad en het stationsgebied optimaal bereikbaar moeten blijven voor de auto.

Met andere woorden, het effect van de milieuzone is dat er niets gedaan wordt tegen de toename van het autoverkeer (het is immers een maatregel om dat niet te hoeven doen). Volgens ‘Regio in beweging’ (een rapport uit 2012 waar de gemeente zelf aan heeft meegewerkt) neemt het autoverkeer van en naar het stationsgebied waarschijnlijk toe met 100% tussen 2010 en 2020. Een verdubbeling dus. Een verdubbeling dus van de uitstoot van CO2. Daar helpt het ‘schoner’ maken van auto’s niets tegen, want de uitstoot van CO2 hangt gewoon samen met het brandstofverbruik.

Wat de voorstanders van de milieuzone ook over het hoofd zien is dat het ‘verschonen’ van het wagenpark er op neerkomt dat pakweg 10% van alle auto’s naar de sloop gaat en vervangen wordt door nieuwe auto’s. Dat zal zeker het geval zijn als diesel euroklasse 3 en benzine euroklasse 0 geweerd wordt. Dat zal dus nog meer worden als de maatregel wordt aangescherpt (waar wethouder van Hooijdonk nu al op zinspeelt). De milieuzone geeft de auto industrie een geweldige boost. De maatregel zou bedacht kunnen zijn door de auto industrie. Een kapitalistische maatregel dus. Ook al omdat de financiële gevolgen ervan voornamelijk gevoeld worden door mensen die zich nauwelijks een auto kunnen veroorloven.

Het produceren van auto’s vergt natuurlijk een enorme hoeveelheid energie (CO2) en is een grote aanslag op schaarse grondstoffen. Alle mooie verhalen over recycling ten spijt. Kortom, het is een raadsel hoe politieke partijen als GroenLinks die zich druk beweren te maken over het klimaat en milieu en vooral hoe Milieudefensie voorstanders kunnen zijn van zo’n kapitalistische maatregel, die er immers op gericht is de groei van het autoverkeer mogelijk te blijven maken en extra productie van auto’s tot gevolg heeft.

Een maatregel dus die past in een energieverslindende wegwerpmaatschappij, een schoolvoorbeeld van een technologische oplossing die erop gericht niets tegen de toenemende automobiliteit te hoeven doen en alweer de mensen met een smalle beurs daarvoor de rekening presenteert.