Naar de hel met goede bedoelingen

aanbieding KvU

Kracht van Utrecht zette samen met Milieudefensie een campagne op om burgers zelf metingen uit te laten voeren. Uit de campagne bleek (er was maar op 11 plaatsen gemeten en niet eens de vuilste) dat vrijwel overal (behalve op de Marnixlaan) in de stad aan de norm van 40 microgram/m3 NO2 wordt voldaan. En dus kan wethouder Lot van Hooijdonk zeggen: zie je dat we op de goede weg zijn?

De gemeente heeft een meetnet met 53 meetlocaties. Daar blijken meerdere overschrijdingen uit die niet uit de 11 metingen van de Kracht van Utrecht/Milieudefensie blijken.

Vraag: wat wilde Kracht van Utrecht/Milieudefensie nu met deze ‘actie’ bereiken? Wat er feitelijk met de actie bereikt is, is dat de wethouder tevreden kan vaststellen dat er geen noodzaak is het beleid te wijzigen: aanleg van parkeergarage onder het Jaarbeursplein, de aanleg van een snelweg langs Overvecht, aanleg van ongelijkvloerse kruisingen bij het Anne Frankplein en het 5 Meiplein, optimale autobereikbaarheid van de binnenstad.

In het actieplan dat door Kracht van Utrecht/Milieudefensie aan de wethouder werd aangeboden werd ingestemd met de milieuzone voor personen- en  bestelauto’s. Ook daar was de wethouder blij mee. De ‘actie’ kon dus met gemak worden uitgelegd als een steunbetuiging aan de gemeente, althans aan GroenLinks-wethouder Lot van Hooijdonk.

Net als Kracht van Utrecht had Milieudefensie al eerder laten weten van harte in te stemmen met de Utrechtse milieuzone. De standaardinspraakreactie Milieudefensie die door 37 leden werd ingediend was zo lovend dat men zich moeilijk aan de indruk kan onttrekken dat die in overleg met de toenmalige wethouder Lintmeijer opgesteld was.

Dankzij het VW-schandaal is het inmiddels tot bijna iedereen doorgedrongen dat diesels van na 2001 niet schoner zijn dan diesels van voor 2002 en dat de milieuzone de lucht dus geen spat schoner maakt. Dat moet voor deskundigen van de gemeente en van adviesbureaus (en eigenlijk ook voor Milieudefensie) geen nieuws zijn, want TNO schreef dat al in 2012.

Volgens  ‘Regio in beweging’ (MIRT-rapport waar de gemeente aan meegewerkt heeft) neemt het autoverkeer van en naar het Utrechtse stationsgebied tussen 2010 en 2020 mogelijk toe met 100%. De bedoeling van de milieuzone was kennelijk om niets tegen die ontwikkeling te hoeven doen. De milieuzone zou het verkeer zoveel schoner maken dat er nog veel meer auto’s bij kunnen.

Kenmerkend voor de ‘acties’ van Kracht van Utrecht en Milieudefensie is dat die zich onthouden van kritiek op de wethouder. Mogelijk omdat die de laatste jaren (Lintmeijer en Van Hooijdonk) van GroenLinks zijn. Dat maakt het voor het college wel erg makkelijk om weg te komen met bijvoorbeeld het besluit om een nieuwe parkeergarage aan te leggen onder het Jaarbeursplein (extra auto’s!) of erop aan te sturen dat de Marxdreef/Einsteindreef worden opgewaardeerd tot snelweg.

Het valt eenvoudig in te zien dat Kracht van Utrecht en Milieudefensie met hun acties juist bijdragen aan nóg meer verkeer en dus nóg meer uitstoot van CO2 (klimaat) en nóg meer ongezonde lucht.

Als je, zoals kennelijk het geval is bij Kracht van Utrecht en Milieudefensie, er van uitgaat dat de gemeente eigenlijk hetzelfde wil (schone lucht), dat de cijfers van de gemeente en haar adviseurs over de milieuzone betrouwbaar zijn, dat je maar het beste met de gemeente kan samenwerken in plaats van de wethouder (‘die wij juist moeten steunen omdat ze van GroenLinks is’ ) te kritiseren, kom je van de koude kermis thuis. Kracht van Utrecht en Milieudefensie bedoelen het ongetwijfeld goed, maar helaas bereiken ze met hun acties het omgekeerde van wat ze beogen.

De groene samenleving en haar vijanden

Voorzitter Verhagen van Milieudefensie heeft laten weten dat er grievende kwalificaties in deze column staan en dat Milieudefensie er daarom niet op reageert.

Met ‘friends of the earth’ als Milieudefensie heeft het milieu geen vijanden nodig.

Organisaties die zich als groen en democratisch presenteren of beweren zich in te zetten voor een beter milieu en een ‘schone en rechtvaardige wereld’ blijken er vaak praktijken en ideeën op na te houden die moeilijk met hun idealen te rijmen zijn, om niet te zeggen er lijnrecht tegenover staan.

Milieudefensie is een groot pleitbezorger van de Utrechtse ‘milieuzone’ voor personen- en bestelauto’s: een klein deel van de stad (binnenstad + stationsgebied) waar diesels met een bouwjaar van voor 2001 niet mogen komen (wat min of meer samenvalt met Euroklasse 0-2).

Het geloof van Milieudefensie in die milieuzone is zo groot dat daar niet over te praten valt. Twijfels heeft Milieudefensie niet. Het geloof van Milieudefensie in wat de ‘deskundigen’ van de gemeente zeggen, is groot. Als de gemeente beweert dat zij het omrijden als gevolg van de milieuzone heeft ingecalculeerd en dat dat effect volstrekt marginaal is, dan gelooft Ivo Stumpe dat blindelings.

stumpe

Milieudefensie weigert (net als overigens wethouder Van Hooijdonk en GroenLinks) een debat met de Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht (SSLU), die grote bezwaren heeft tegen die milieuzone. Twitteren dat het een aard heeft, maar debatteren, dat is voor Milieudefensie te riskant.

Volgens de SSLU is de Utrechtse milieuzone een symboolmaatregel die de lucht extra vervuilt en bovendien een cadeau voor de automobielindustrie. Auto’s die nog vele jaren mee kunnen, worden immers gesloopt en vervangen door nieuwe auto’s, voor de productie waarvan weer veel energie (CO2) en schaarse grondstoffen nodig zijn.

Aanscherping van de milieuzone (ook auto’s met een bouwjaar van voor 2005) en verdere aanscherping zijn logische volgende stappen om de autoindustrie te gerieven én om niets tegen de groei van de automobiliteit te hoeven doen. De rijksoverheid, maar ook steden als Utrecht beschouwen automobiliteit als een heilige koe en grijpen de milieuzone aan om meer asfalt aan te kunnen leggen en de stad economisch en ruimtelijk verder te kunnen ‘ontwikkelen’.

De SSLU is niet tegen een milieuzone, maar tegen deze milieuzone. In de eerste plaats wil de SSLU een grotere milieuzone (de hele stad tussen de snelwegen). In de tweede plaats wil de SSLU dat auto’s niet geweerd worden op basis van Euroklasse of ouderdom, maar op basis van aangescherpte APK-roetmetingen. Euroklasse en ouderdom blijken volgens recente onderzoeken namelijk een slechte indicatie voor vervuilende uitlaatgassen. En oudere auto’s kunnen heel vaak aangepast worden en hoeven dan niet naar de sloop. In de derde plaats ziet de SSLU, anders dan Milieudefensie en de gemeente, als belangrijkste maatregel een forse reductie van het autoverkeer in de stad.**

Waarom houdt Milieudefensie vast aan de milieuzone zoals de gemeente die heeft vastgesteld en waarom weigert Milieudefensie daarover te debatteren? Het antwoord is: (1) Milieudefensie was altijd al voor een milieuzone op basis van Euroklasse en laat zich door recente onderzoeken niet aan het denken zetten. (2) Milieudefensie en GroenLinks zijn nauw verwant en de milieuzone in Utrecht is onder GroenLinks-wethouders (eerst Lintmeijer en daarna Van Hooijdonk) bedacht en voorgesteld. (3) Milieudefensie slikt wat ‘deskundigen’ van de overheid beweren voor zoete koek.

In een recente internetpublicatie heeft de SSLU weinig heel gelaten van een door dr. Anne Knol (specialist luchtkwaliteit van Milieudefensie) opgesteld document ‘Achtergrondinformatie Milieuzone Utrecht’.* De reactie van campagneleider Ivo Stumpe op de SSLU-internetpublicatie was weinig inhoudelijk:

”hou hier mee op. Echt.
Dat je dat soort dingen over mij zegt is tot daaraan toe, maar Anne is gewoon mijn medewerker en doet wat ik haar vraag. Zij is niet verantwoordelijk voor ons beleid, dat ben ik. Dus als daar wat over te mopperen hebt, richt je dat maar aan mij”.

Kritiek richten aan campagneleider Ivo Stumpe is ‘tot daaraan toe’ (gaat eigenlijk ook al te ver). Helaas had dat tot nu toe weinig effect, want daar reageert hij (Milieudefensie) niet op en een debat wordt geweigerd. Veel respect voor de wetenschap en de gepromoveerde dr. Anne Knol blijkt hij ook niet te hebben. In de door de SSLU bekritiseerde ‘Achtergrondinformatie’ zou zij immers geschreven hebben wat hij haar heeft gevraagd te schrijven.

Het moet voor een (gepromoveerde) wetenschapper geen pretje zijn om bij Milieudefensie te werken. In onder jouw naam (met vermelding van titels) uitgebrachte adviezen moet je schrijven wat je baas wil en je wordt ook niet geacht daar zelf voor verantwoordelijk te zijn. Kennelijk mag je bij Milieudefensie ook als wetenschapper geen eigen geluid (laat staan kritiek) hebben en naar buiten brengen. Het lijkt de gemeente wel.

De groene samenleving wordt niet alleen door het ‘ongebreideld kapitalisme’ bedreigd, maar ook door milieuorganisaties als Milieudefensie, die ten prooi vallen aan tunnelvisie (ideologieën) doordat zij kritiek en discussie uit de weg gaan, wetenschappers in hun dienst slechts als boodschappers wensen te behandelen (his master’s voice), hun kritische onafhankelijkheid prijsgeven ten opzichte van politiek verwante politici, de gemeente helpen om zich strijdbare lokale actiegroepen als de SSLU van het lijf te houden en beslissen welk standpunt hun leden en donateurs innemen over de milieuzone zonder hun daar invloed op te geven.

Met ‘friends of the earth’ als Milieudefensie heeft het milieu geen vijanden nodig.

* http://www.stopluchtverontreiniging.nl/?p=993
** Met een grote milieuzone kun je het binnenkomend autoverkeer ook doseren en dus beperken.

 

City talks on sustainable energy: the silent majority speaks

hierbij overhandig ik het energieplan 1

Hereby I hand over the energy plan we worked so hard on with 166 participants.
Atmospheric description of the city talks on energy – council of Utrecht (Youtube)

The council of Utrecht decided to compete for the Eurocities Award 2015 for an ‘outstanding achievement’ in the field of citizen participation with the project ‘City talks on sustainable energy: the silent majority speaks’. The project was supported bij Ecofys (costs: 75.000 euro), belonging to Eneco Holding, a big supplier of energy, and took place in March and April 2015.

Ten thousand citizens got an invitation to join discussions on sustainable energy, to be held on three Saturdays (18 hours in total) and rewarded with a fee of 600 euros. About 900 citizens subscribed, 165 of whom were selected by lottery. The total costs of the project amounted to 437.865 euro.

According to alderman of the city of Utrecht Lot van Hooijdonk, the idea to select the participants by lottery was inspired by the Belgian author David Reybrouck’ s book Tegen verkiezingen (‘against elections’).

Reybrouck critizises the political system because it is dominated by a tiny, highly educated elite. Appointing representatives by lottery would be more democratic, as it would yield equal chances for the powerful position of for instance the membership of the city council.

Their was a lot of criticism on the project. For instance: being selected to join a discussion is not the same as being appointed for a powerful position. The power remains in the hands of the political elite. In case the discussion leads to conclusions that are not acceptable for the elite, they will easily be rejected. In other words, the city talks are a misleading application of Reybrouck’s idea.

Many criticisms refer to the fee for joining the discussions (600/18= 33 euros per hour). The criticism is that such a fee attracts participants who join in for the fee and not for the sake of sustainable energy. Such participants will agree to any conclusions, as long as they get paid. That the subscription of 900 citizens counts as a success, as alderman Van Hooijdonk claims, is questionable.

Also, there was much criticism on the information the participants were provided with by experts of the council. The municipal project team consisted of nearly 20 professionals and 15 Ecofys advisors. Participants were not invited to involve NGOs and experts of their own choice, especially NGOs with a critical attitude towards the council’s policy. Up to now, the council refuses to disclose the information (sheets) provided by the experts during the discussions. (The information was asked for on June 22nd 2015.)

One might wonder if alderman Lot van Hooijdonk’s choice for selection by lottery wasn’t in fact motivated by the wish to exclude the few well-informed citizens from the discussion, so as to impose the view of the council’s experts and those of allied companies on the participants, in order to make the silent majority express the view of the council’s experts without critical dissonances.

het exportbureau heeft ons wel een beetje gestuurd

The expert of Ecofys did steer us a bit in ‘What is possible in every field’

On might also wonder if the discussions were not meant as a kind of office party in order to encourage the citizen’s trust in the council or as a happening to create the illusion of influence. The reports of the discussions, written by ‘energy journalist’ Rolf de Vos (who happened not to be an independent journalist, but a senior consultant of Ecofys) and published on the council’s website and on Youtube, focus exclusively on the outstanding atmosphere during the talks.

hierbij

Hereby I hand over the energy plan we worked so hard on with 166 participants.

Finally, there was criticism on the energy plan resulting from the city talks. It contains mainly noncommittal intentions and the focus is on what citizens en companies should do to save energy. Not a word about the council’s ambitions to optimize accessibility of the city centre for cars, to expand asphalt and concrete at the cost of trees and green areas, to expand parking facilities close to the train station (located in the city centre), to stimulate the location of companies and office complexes in the inner city and to foster demolition and replacement of constructions built only 40 to 50 years ago. Obviously, the silent majority is not supposed to interfere with the council’s energy-intensive policy.

Stop bomenkap in Utrecht

 Over de bomenkap Cremerstraat en Paardenveld

cremerstraat bomen vlakbij Kempisweg

Cremerstraat

Als er een prijs zou bestaan voor de stad die het meeste bomen kapt, dan zou de gemeente Utrecht die overtuigend winnen. De gemeente beweert dat er per saldo meer bomen komen (momenteel zijn het er ca. 125.000), maar vermeldt daarbij niet dat de gemiddelde leeftijd steeds lager wordt: in 2009 was die 33 jaar, drie jaar later was die gedaald naar 27 jaar. Met andere woorden, de meeste bomen krijgen de tijd niet om volwassen te worden en steeds vaker moeten we het doen met jonge boompjes die uiteraard nauwelijks schaduw geven. En met elke volwassen boom die wordt gekapt verdwijnt weer een stukje habitat voor vleermuizen, vogels en andere dieren.

Van recente datum is de aanvraag voor een kapvergunning van Eneco voor het kappen van maar liefst 150 bomen.

aanvraag kapvergunning cremerstraat

Uiteraard werd de aanvraag gepubliceerd in de zomervakantie (de kans dat die gezien wordt is dan het kleinst), maar bovendien deugt de plaatsaanduiding niet. Als je de Cremerstraat bij de ‘officiële bekendmakingen’ in de gaten houdt zou je zo maar de aanvraag missen die Eneco gedaan heeft, waarvan verreweg de meeste bomen op de Cremerstraat staan en niet op de Galjoenstraat of het Cremerplein. Ronduit misleidend dus dat de gemeente in de bekendmaking de Cremerstraat zelf niet noemt.

bomen cremerstraat 3

De aanvraag is door Eneco gedaan ter vervanging van de leiding van de stadsverwarming. Die leiding zelf is het probleem niet, maar de ruimte die Eneco nodig meent te hebben voor werkruimte en opslag is zo aanzienlijk dat er 161 bomen gekapt moeten worden (waarvan 11 volgens de aanvraag niet kapvergunningplichtig zijn).

Volgens het groen herstelplan worden 104 van de 150 bomen waar een kapvergunning voor wordt gevraagd niet vervangen. Dat wordt dus een bijzonder kale boel op de Cremerstraat. En zonder schaduw in de zomer!

Het park langs de Cremerstraat wordt overigens ook bedreigd door de verdubbeling van het spoor. Dat wil zeggen, de verdubbeling op zich gaat niet ten koste van het park, maar wel de werkruimte die Prorail denkt nodig te hebben. Het besluit (‘tracebesluit’) om het spoor te verdubbelen is definitief. Uit de ingediende zienswijze blijkt dat de gemeente Utrecht niets gedaan heeft om te bewerkstelligen dat het park gespaard zou worden. Zie de grijze arcering op de samengestelde kaart

Paardenveld
Op 23 juli heeft de gemeente voor zichzelf een aanvraag kapvergunning ingediend voor 2 bomen. Uit de aanvraag kapvergunning blijkt dat de bomen weg moeten om plaats te maken voor de ‘stadsbioscoop’. Waarom die 2 bomen nu al gekapt zouden moeten worden is volstrekt onduidelijk. Immers de plannen voor deze ‘stadsbioscoop’ verkeren nog pas in het stadium van ontwerp bestemmingsplan Kade.

bomen paardenveld

Utrecht geeft honderden miljoenen uit om de singelstructuur te herstellen. Een plan dat destijds aan het publiek verkocht is met het verhaal dat daardoor ook een parkachtige omgeving langs de singel zou kunnen worden gerealiseerd (zie de Maliesingel). Hard nodig, want er is maar weinig groen overgebleven (ook het Smakkelaarsveld heeft de gemeentelijke bouwwoede niet overleefd). Op het moment dat het singelplan dan werkelijkheid lijkt te worden, worden er meteen weer plannen gemaakt om stoere bomen (er staan er nog 7) die het begin zouden kunnen vormen van het beloofde park, om te hakken zodat er weer verdiend kan worden aan de verkoop van bouwrijpe grond.

Niemand begrijpt overigens waarom Utrecht nóg een stadsbioscoop nodig heeft nadat de gemeente bouwvergunningen heeft verleend voor de megabioscoop van de Jaarbeurs en de megabioscoop in het Leidsche Rijn Centrum. Kennelijk zijn de initiatiefnemers van deze ‘stadsbioscoop’ erin geslaagd GroenLinks en D66 van het grote belang ervan te overtuigen, want op voorstel van deze twee partijen vindt er 27 augustus een geheime voorlichting plaats aan de overige leden van de gemeenteraad. Daar mag het gewone volk dus niet bij zijn. Het is goed dat Van Mierlo dat niet meer hoeft mee te maken.

geheime voorlichting

Wat er aan de hand is laat zich raden: die ‘stadsbioscoop’ moet door gedouwd worden. Daarvoor is nodig dat raadsleden alleen de ene kant van het verhaal horen (namelijk dat van de belanghebbende initiatiefnemers) en niet het verhaal van de concurrentie. De concurrentie mag er net als het gewone volk niet bij zijn en niemand mag weten wat die initiatiefnemers de gemeenteraad gaat proberen wijs te maken.

Bovendien is het nodig zo snel mogelijk alvast wat bomen te kappen. Immers, als die bomen alvast weg zijn leggen ze geen gewicht meer in de schaal bij de besluitvorming over het bestemmingsplan Kade (de ‘stadsbioscoop’). Volgens het ontwerpbestemmingsplan moeten er trouwens 7 bomen weg, maar om nu al een aanvraag te doen om 7 bomen te kappen zou misschien teveel verontwaardiging oproepen en daarmee de kans op de ‘stadsbioscoop’ verkleinen.

Kortom: onwelriekende dorpspolitiek. Ooit diende GroenLinks de motie in ‘Kappen met kappen’. Dat was om het kappen van bomen vooruitlopend op het onherroepelijk worden van bouwvergunning en bestemmingsplannen te verhinderen. Maar toen zat GroenLinks nog in de oppositie. Die motie haalde het niet. De motie die het wel haalde was ‘Kappen met kappen III’ (ingediend door de PvdA). Daarin stond dat er niet gekapt mocht worden zolang er geen ‘bruikbare’ bouwvergunning was. Dat is een verleende bouwvergunning waartegen beroep tegen kan worden ingesteld. Maar daarvan is in dit geval nog lang geen sprake. Zie het onderstaande stukje tekst (van de SP-website).

kappen met kappen III

plankaart kapverg. paardenveld

Energieverbruik en ongelijkheid

nuon essent

In 1974 publiceerde Iwan Illich ‘Energy and Equity’. Daarin zet hij uiteen waarom een groeiend energieverbruik samen gaat met steeds meer ongelijkheid en armoede.

Omdat een groeiende energieverbruik leidt tot meer CO2-uitstoot en dus meer klimaatopwarming, gaan CO2-uitstoot en klimaatopwarming dus óók samen met meer armoede en ongelijkheid.

Ongelijkheid en armoede moeten sowieso bestreden worden. Alle mensen hebben immers recht op een menswaardig bestaan en daar komt niets van terecht als steeds meer rijkdom terecht komt bij een kleine groep rijken.

Maar armoede en ongelijkheid moeten dus ook bestreden worden omdat die een groeiend energieverbruik en dus klimaatopwarming in de hand werken. Waarom is dat zo?

De energie die wij gebruiken wordt zo goedkoop geproduceerd dat wij er steeds meer van gaan gebruiken. Dát de energie zo goedkoop kan worden geproduceerd heeft twee oorzaken.

De eerste is dat bij de productie van energie sprake is van veel ‘externe’ kosten die niet in de prijs van de energie wordt meegenomen. De tweede is bijvoorbeeld dat arbeiders die betrokken zijn bij het delven van grondstoffen enorm worden uitgebuit.

Om met de ‘externe’ kosten te beginnen. Steenkool is nog steeds een belangrijke grondstof bij de productie van elektriciteit. Bij de verbranding van steenkool komt veel CO2 vrij. Die wordt niet netjes opgevangen, maar gedumpt in de lucht. Dat scheelt in de kosten. De kosten die niet worden betaald door de CO2 gewoon in de lucht te dumpen zijn de ‘externe’ kosten: de kosten van de opwarming van het klimaat, die vroeg of laat toch moeten worden betaald.

Dát centrales over goedkope steenkool kunnen beschikken komt onder andere door de ‘bloedkolen’ uit Colombia, waar het bloed aan kleeft van uitbuiting en grove schending van mensenrechten. Volgens PAX (waarin Pax Christi en het IKV zijn opgegaan) zijn in Colombia 55.000 boeren van hun land verdreven, waarbij 3000 doden vielen. (*)  NUON en ESSENT betrekken bloedkolen uit Colombia en zijn niet bereid om daarmee te stoppen. Ook E.ON, Electrakabel en Delta maken gebruik van bloedkolen.

Zouden de boeren in Colombia niet van hun land verdreven worden en zouden de arbeiders in de mijnen in Colombia het uurloon en de arbeidsomstandigheden krijgen die wij in Nederland voor onszelf normaal vinden, dan zouden de kolen uit Colombia een stuk duurder én onze energierekening een stuk hoger zijn. Zó hoog dat wij alles zouden doen om juist minder energie te gaan gebruiken.

Wat voor de bloedkolen uit Colombia geldt, geldt voor alle producten die wij spotgoedkoop kunnen kopen doordat ze goedkoop geproduceerd worden in arme landen door zowel de natuur als de lokale bevolking uit te buiten.

Wie zich sterk wil maken tegen toenemend energiegebruik en opwarming van het klimaat, tegen armoede en tegen schending van mensenrechten in Colombia en waar dan ook is het heel eenvoudig om actie te ondernemen.

Koop zo min mogelijk elektrische apparaten (ook geen elektrische fietsen en auto’s). Haal je stroom niet bij NUON en ESSENT en andere energieleveranciers die aan bloedkolen verdienen. Koop geen producten waarvan de productie op uitbuiting is gebaseerd. Bovendien: wat niet gekocht wordt hoeft ook niet te worden geproduceerd en dat scheelt energie.

(*) http://www.paxvoorvrede.nl/wat-wij-doen/campagnes/stop-bloedkolen
Zie ook: http://www.wijstoppensteenkool.nl/

 

De groene prijzen partij

Kort na haar aantreden als wethouder wist Mirjam de Rijk (GroenLinks) de prijs voor de klimaatvriendelijkste wethouder 2010 in de wacht te slepen. De prijs werd haar verleend door het FairClimateFund, dat er overigens geen been in ziet om business met klimaat actie te combineren.

klimaatvriendelijkste wethouder 2010

Een jaar later ontving Mirjam de Rijk weer zo’n mooie prijs. Dit keer van de Utrechtse Natuur- en Milieufederatie (NMU) : de ‘Groene Trui’ voor de voorbeeldige klimaatambities van het nieuwe Utrechtse college (2010-2014), waarbij het voornemen om windmolens voor schone energie te bouwen een belangrijke reden was de prijs toe te kennen.
(Zie de site : http://www.geenstijl.nl/mt/archieven/2011/10/alweer_nepotisme_award_voor_mi.html).

groene trui

Op de foto herkennen we Lot van Hooijdonk, destijds adjunct directeur van de NMU die haar partijgenoot aan de Groene Trui hielp. Kort na haar aantreden verklaarde Van Hooijdonk in gesprek DeStadUtrecht (2-9-2014) niet met windmolens getrouwd te zijn.

niet met windmolens getrouwd

Inmiddels is het de beurt van Lot van Hooijdonk om als GroenLinks-wethouder prijzen in ontvangst te nemen. In juni 2015 werd Utrecht de Solar City Award toegekend.
solar city

De Stichting Solar Days, die de Solar City Award toekent, wordt gerund door ene Peer de Rijk. Jawel, de broer van Mirjam de Rijk. (Overigens niet op de foto hierboven). Het adres van Solar Days is hetzelfde als dat van Milieudefensie, waar Mirjam en Peer de Rijk geruime tijd werkzaam waren, de laatste ook als bestuurslid. (www.peerderijk.nl).

Maar er komen nog meer prijzen. De gemeente Utrecht blijkt zich te hebben aangemeld bij Eurocities als lichtend voorbeeld van participatie vanwege de wijze waarop de bevolking (165 door loting aangewezen burgers die daar 600 euro mee verdienden) ‘helemaal zelf’ het Energieplan Utrecht zou hebben gemaakt. De kans dat Utrecht de prijs in de wacht sleept is groot, want wethouder Lot van Hooijdonk is voorzitter van ‘Eurocities Environment Forum’.

tweet hooijdonk

De kans dat GroenLinks- wethouders nog veel meer milieu- en klimaatprijzen voor Utrecht in de wacht gaan slepen is groot, want in het wereldje waarin  dankzij subsidies groene stichtingen en bedrijfjes banen bieden aan zakelijk ingestelde klimaatverbeteraars is GroenLinks sterk vertegenwoordigd.

Al die prijzen zijn overigens heel hard nodig, want de resultaten van het Utrechtse klimaatbeleid zijn er niet. Uit het recent gepubliceerde Harmelink evaluatie-rapport blijkt dat er ondanks alle mooie prijzen al jaren geen sprake is van noemenswaardige CO2-reductie in Utrecht.

Die prijzen zijn dus kennelijk nodig om bij de Utrechtse bevolking de indruk te wekken dat de GroenLinks-wethouders het niettemin geweldig doen. En natuurlijk om ambitieuze partijleden aan het imago van groene daadkracht en een mooie carrière te helpen.

 

Koolstofkolonialisme

REDD
De gemeente wil in 2012 de Utrechtse jaarlijkse CO2-uitstoot met 75.000 ton reduceren. Ook heeft de gemeente Utrecht in 2008 en begin 2009, samen met andere koplopende (Utrecht, Utrecht über alles) gemeenten een road­map ontwikkeld voor een CO2-neutrale gemeentelijke organisatie in 2012”, zo valt te lezen op de website van klimaatbos-léon, een initiatief voortgekomen uit de stedenband Utrecht-Léon (Nicaragua).

Het planten van bomen ergens in de wereld levert CO-2 kredieten op en die CO2-kredieten mogen dan afgetrokken worden van de CO2 die elders worden uitgestoten, bijvoorbeeld in Nederland en Utrecht. Dus als je nu maar genoeg klimaatbos aanplant in één land waar bomen goed groeien en je goedkoop aan grond kan komen hoef je je eigen CO2-uitstoot nauwelijks terug te dringen en kan je dus verder leven alsof er geen klimaatprobleem bestaat.

Dit systeem wordt gesierd met het begrip Reducing Emissions from Deforestation and Degradation. Afgekort: REDD. Een booming-business, want niet alleen biedt elke luchtvaarmaatschappij de schuldbewuste reiziger aan bomen te planten voor elke vliegreis, ook grijpen overheden in rijke landen de kans aan om hun CO2-uitstotende economie en automobiliteit geen beperkingen op te hoeven leggen.

Als je goed zoekt vind je op internet, tussen alle jubelende sites van bedrijven die flink aan deze handel verdienen ook enkele kritische sites aan. Zo’n kritische site is bijvoorbeeld die van Carbon Trade Watch met veel informatie over REDD. Naast het bezwaar dat deze handel in CO2-emissies bedrijven en regeringen die verantwoordelijk zijn voor veel CO2-uitstoot in staat stelt daar rustig mee door te gaan, wordt gewezen op de fundamentele onrechtvaardigheid van het systeem.

Die onrechtvaardigheid bestaat daaruit dat inheemse bevolking makkelijk verdrongen wordt onder druk, met geweld of door­dat gronden opgekocht worden, waarvan zij voor hun voedselproductie afhankelijk zijn. Lokale boeren wordt in het vooruitzicht gesteld dat ze wat kunnen verdienen aan de opbrengst van CO2-kredieten, maar inmiddels zijn die waardeloos omdat die in grote hoeveelheden gratis aan bedrijven worden uitgedeeld. In veel gevallen leidt de bosaanplant overigens tot omvang­rijke monoculturen, verlies van biodiversiteit en een verdere verlaging van de grondwaterstand.

 

Ecologische schuld

Volgens beleidsmakers en politici moet de reductie van de uitstoot van CO2 voornamelijk plaatsvinden door hier en in ons eigen land minder energie te gebruiken en de energie die wij gebruiken duurzaam op te wekken: water, wind, zon, aardwarmte e.d.

Waar volledig aan voorbij wordt gegaan is de energie die nodig is om in andere landen producten te maken die wij hier kopen. En natuurlijk de energie die nodig is om die producten te transporteren, vaak van de andere kant van de wereld met grote vrachtschepen en door de lucht.

Denk niet alleen aan duurzame producten, maar ook aan voeding, veevoeders, vlees, bloemen, aardolie, e.d. De energie die nodig is voor de productie en het transport ontbreken op onze energiebalans.

Nu zou dat niet zo’n probleem zijn als goederen die geïmporteerd worden zouden kunnen worden weggestreept tegen de goederen die geëxporteerd worden naar landen waar onze import vandaan komt. Maar dat is maar zeer ten dele het geval.

Dankzij de vrijhandel en het feit dat producten in arme landen veel goedkoper gemaakt kunnen worden (lage lonen, goedkope grondstoffen, minder strenge milieu eisen) heeft de productie zich naar arme en minder welvarende landen verplaatst. Maar daarmee dus ook de CO2-uitstoot van die productie.

Ruim de helft van de CO2-uitstoot in landen als China en andere opkomende industrielanden moet toegeschreven worden aan de productie van goederen die voortgebracht worden om naar Europa en de VS te exporteren. Dat is dus eigenlijk onze CO2, waar wij lage lonen – en goedkope grondstoffen landen mee laten zitten.

Een eerlijk klimaatbeleid houdt dus in dat welvarende landen zich niet alleen verantwoordelijk achten voor de CO2-uitstoot in eigen land, maar ook voor de CO2-uitstoot die in minder welvarende en arme delen van de wereld plaatsvindt om welvarende landen van goedkope producten te voorzien.

Dat houdt de erkenning in van een ecologische schuld van welvarende aan minder welvarende landen die ingelost moet worden door extra reductie van CO2 in de welvarende landen en door financiering van voorzieningen die in minder welvarende landen nodig zijn om de gevolgen van klimaatopwarming op te vangen.

 

 

 

Minder productie, meer welvaart

Economische groei is een heilige koe in de politiek. Op de Partij voor de Dieren na (waarvoor hulde) is groei voor alle politieke partijen vanzelfsprekend. Het verschil tussen politieke partijen is dat de één vindt dat er aan die groei geen grenzen mogen worden gesteld en dat de ander vindt dat die groei al­leen acceptabel is als die groen en duurzaam is. Maar dat economische groei en ontwikkeling zoveel mogelijk toch moet kunnen plaatsvinden staat voor vrijwel alle partijen vast.

Economische groei wordt wenselijk gevonden omdat dat zou leiden tot meer welvaart. Meer wel­vaart houdt in dat mensen meer spullen en diensten kunnen aanschaffen, waardoor ze meer van hun leven kunnen genieten. Economische groei wordt ook wenselijk gevonden omdat daardoor nieuwe banen zouden ontstaan en banen zouden nodig zijn om mensen een zinvol bestaan te garanderen dat zon­der baan kennelijk niet goed mogelijk zou zijn.

Of mensen inderdaad meer van hun leven genieten naarmate ze meer spullen en diensten kunnen kopen is de vraag. Bezit geeft ook zorgen. Je moet het allemaal maar opruimen, zorgen dat het niet zoek raakt, niet kapot gaat of niet gepikt wordt. Het is waarschijnlijk zo dat, als een bepaald welvaarts­ni­veau bereikt is, de behoefte aan meer gewekt wordt doordat men zich door rijkdom wil onderscheiden.

Of banen nodig zijn om mensen een zinvol bestaan te garanderen is de vraag. Het werk waartoe mensen vaak gedwongen worden is even zo vaak helemaal niet prettig en zinvol. Dat is ook waarom de poli­tiek in grote meerderheid vindt dat er een flink verschil moet zijn tussen minimuminko­men en uitkering en waarom er strafkortingen moeten worden opgelegd aan uitkeringsgerechtigden die niet voldoende hun best doen om werk te vinden.

Economische groei wordt overigens ook gepropageerd met het argument dat welvaart daardoor ook binnen het bereik komt van mensen die in armoede leven. Ook dat is geen sterk argument. Dat doel valt immers makkelijk te bereiken door welvaart gelijk te verdelen. Bovendien heeft economische groei  vaak tot gevolg dat armen juist armer worden. Zie de extreme armoede en uitbuiting in la­ge lonen landen waar onze goedkope textiel wordt geproduceerd en schaarse grondstoffen voor onze groeiende industrie vandaan komen.

Waarom dan toch de vanzelfsprekendheid van economische groei? Om daar een antwoord op te be­denken is het belangrijk er rekening mee te houden dat economische groei eerst en vooral profijte­lijk is voor een relatief kleine bovenlaag in de samenleving, die veel invloed heeft omdat die in po­litieke partijen en in de wetenschap sterk vertegen­woordigd is en er daardoor in slaagt wat voor hen profijtelijk is wetenschappelijk uit te leggen en aan het publiek te verkopen als algemeen belang.

Dat de economische groei die vooral na de 70-er jaren (mogelijk vooral door de digitalisering) heeft plaatsgevonden voornamelijk aan een kleine bovenlaag ten goede is gekomen werd reeds door Mar­cel van Dam aangetoond in ‘Niemandsland’ (2009). De welvaart voor de laagste 10% inkomens nam van­af 1980 met 10% afgenomen af, die van de 10% hoogste inkomens met 60% toe.

Wie er van de economische groei profiteert is duidelijk. Dat degenen die van de groei profiteren die groei propageren ligt voor de hand: de mensen die er niet van profiteren en er door op achterstand worden gezet moet wijsgemaakt wor­den dat economische groei ook hun voor­deel oplevert. Mis­schien niet meteen, maar toch zeker in de toekomst of in het hiernamaals.

In dit verhaal willen we laten zien dat het bestrijden van armoede en het eerlijk verdelen van welvaart één van de belang­rijkste argumenten is om van economische groei af te zien. Wat natuurlijk ook een zegen zou zijn voor het milieu en het klimaat. Dat economische groei tot meer welvaart leidt valt, daar zijn drie belangrijke argumen­ten tegen in te brengen.

1. Hueting: wat is de natuur ons waard?
Het eerste argument is bekend, dat is daar al vaak tegen ingebracht. Om te beginnen door R. Hueting in ¨Nieuwe schaarste en economische groei: Meer welvaart door minder productie?¨ (1974), vooraf­gegaan door een serie artikelen onder de titel ¨Wat is de natuur ons waard?¨. Zijn kritiek op econo­mische groei was niet welkom en heeft in de politiek dus geen na­volging gevonden. Terecht wees hij erop dat verlies van natuur, van speelgele­genheid op straat, van schone lucht en schoon water, in de berekening van nationaal inkomen en van welvaartstoename niet als kosten worden meegenomen. Ook wordt geen rekening gehouden met verlies van vrije tijd. En evenmin met het welbevin­den van dieren. Alsof het enige wat er toe doet is wat mensen tot voor­deel strekt.

2. Verdienen aan gebakken lucht.
Waar maar weinig bij wordt stil gestaan is dat veel inkomens worden verdiend zonder dat daar een product of dienst tegenover staat dat op de één of andere manier aan welvaart bijdraagt, anders dan aan de welvaart van degenen die die inkomens incasseren. Duizenden beleidsnotities worden er bij de overheid opgesteld die door vrijwel niemand gelezen worden. Professionele begeleiding wordt aan mensen opgedrongen die beter af zouden zijn als zij hun eigen zaken zelf mochten regelen. Veel ver­orde­ningen worden ontworpen en gehandhaafd om geen andere reden dan juristen die daarmee belast zijn van werk te voorzien. Singels worden gedempt en een tiental jaren later weer open gegra­ven, kostbare bouwwerken en woningen worden gerealiseerd die amper dertig jaar later weer wor­den afgebro­ken. Volstrekt overbodige publieke werken worden uitgevoerd om wegen­bouwers en hun ambtelijke collega’s van werk te voorzien. Kortom, er wordt enorm veel inkomen verdiend, voornamelijk door hoogopgeleiden, waar geen enkel nut tegenover staat. (David Graeber: ‘On the phenomenon of Bullshit jobs’).  Onze welvaart zou er niet minder om zijn als de mensen die op zo’n manier een inkomen ‘verdienen’ een basisinkomen zouden ontvangen zonder daar iets voor te doen. Het zou enorm besparen, want een basisinkomen ligt een stuk lager dan wat de hoogopgeleide elite verdient.

3. Verdienen ten koste van mensen
Waar overigens weinig bij wordt stil gestaan is dat economische groei niet alleen gericht is op het voort­brengen van al dan niet waardeloze producten en diensten, maar natuurlijk ook en vaak juist op het verdie­nen daaraan. In een economie als de onze, waarin iedereen geacht wordt voor zichzelf op te komen gaat het inkomen en de welvaart van de één makkelijk ten koste van die van de ander. Vaak is de productie van diensten en producten, zeker als het om waardeloze producten en diensten gaat, op weinig anders gericht dan op het zich ten koste van de consument, burger, huurder of belasting­betaler van een inkomen te voorzien. We illustreren dat met twee voorbeelden.

Stedelijke vernieuwing
In 2002 besloot de gemeente Utrecht in het kader van een landelijk beleid 10.000 na-oorlogse sociale huur­wonin­gen te slopen en groten­deels door koopwoningen te vervangen (‘De Utrechtse Opgave’). Bij deze ‘stadsvernieuwing’ waren in Utrecht tientallen ambtenaren betrokken om gebiedsplannen te maken. Bij de woningcorporaties leverde het werk op aan een flink aantal gebiedsmanagers met me­dewerkers. Ook een aantal opbouwwerkers had er mooie baan aan, want de plannen moes­­ten de huurders door de strot worden geduwd. Universitaire instellingen pikten ook een graantje mee, want er moest aangetoond worden dat de huurders tevreden waren. Het aantal woningen ná de stadsver­nieuwing was gelijk. De nieuwe woningen waren niet groter. Ze waren wel beter geïsoleerd, maar dat had met re­novatie (een stuk goedkoper) ook gekund.

Dat de sloop en nieuwbouw tot doel had geld te maken wordt bevestigd door het rapport ‘Kosten en kostendragers trans­formatieopgave Stedelijke Ver­nieu­wing’, (2002). Daarin werd berekend dat deze stadsvernieuwing 17 miljard gulden zou op­leveren. Daar konden heel wat ambtenaren, gebiedsma­nagers, opbouwwerkers en universitaire onderzoekers mee aan het werk gehouden worden. Die 17 miljard gulden moest worden opgebracht uit hogere huren en door woningzoekenden die konden kiezen tussen woningzoekend te blijven of zich diep in de schulden te steken voor een koopwoning.

NSL: ultieme smokkelstap
Tijdens het wetgevingsoverleg op 25 september 2006 zei PvdA- kamerlid Diederik Samsom over het Natio­naal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit: “Dat NSL is in de ogen van mijn fractie de ultie­me smokkelstap (…) om met gegeven luchtvervuiling alsnog de goedkeuring voor bouwprojecten er doorheen te smokkelen, een goedkeuring die er anders niet zou komen (…) een bureaucratisch monstrum, dat beleidsambtenaren, juristen en adviesbureaus gouden tijden zal bezorgen”. Samsom is een belangrijke man en die kan het weten.

Twee jaar later werd het NSL onder PvdA-minister Jacqueline Cramer doorgevoerd. Het NSL heeft de lucht in Nederland geen spat schoner gemaakt. Volgens Samsom was dat ook helemaal de bedoeling niet. De bedoeling was een ondoorgrondelijk schoonrekensysteem in te voeren zodat bouwprojecten doorgang konden vinden die de lucht verder zouden vervui­len. En inderdaad honderden beleidsamb­tenaren, juristen, milieuprofessionals werkzaam bij rijksinstituten en adviesbureaus verdienen daar goed aan, wat bijdraagt aan de groei van het nationaal inkomen en dus aan onze welvaart, maar bepaald niet aan schone lucht.

Tegen economische groei
Economische groei komt er dus eigenlijk op neer dat een bovenlaag van voornamelijk hoogop­ge­leiden zich verrijkt ten koste van mensen die het met een schamel inkomen moeten doen en dat klaarspeelt doordat zij in de politiek sterk vertegenwoordigd is en daardoor regelgeving, plan­nen en beste­dingen zo kan sturen dat het hoogopgeleiden van lucratieve handel en carrières voorziet, die echter leiden tot veel verkwisting en niet bij­dragen aan een beter leven voor iedereen. Integendeel, er zijn forse bezuinigingen nodig op lage inkomens, uitkeringen en ele­mentaire voorzieningen om deze voor de bovenlaag profijtelijke economische groei gaande te houden.

Economische groei wordt niet alleen betaald door de mensen met lage inkomens en uitkeringen in ons land, omdat hun achterstelling voor een deel wordt gecompenseerd door import van goedkope producten uit arme landen die daar tegen extreem lage lonen worden geproduceerd.

Tenslotte: economische groei gaat niet alleen ten koste van de natuur in ons land, maar nog veel meer van de natuur in lan­den waar de winning van schaarse grondstoffen met veel natuurvernietiging gepaard gaat.

Conclusie: het tegengaan van economische groei is én in het belang van arme mensen en arme lan­den én in het belang van het milieu.

De Mythe van de Groene Economie

Anneleen Kenis en Matthias Lievens schreven een helder en zeer informatief boekje, waarin de mythe van de groene economie wordt geanalyseerd. Het verscheen in 2012 bij Jan van Arkel. De strekking is dat duurzame of groene economie windowdressing is om niet af te hoeven zien van economische groei.
Hieronder een samenvatting met een aansporing om het boek zelf te lezen en te herlezen.

mythe groene economie

Twee van de grootste milieuproblemen zijn klimaatverandering en de toename van het energiege­bruik. Klimaatverandering leidt tot afsmelten van polen en gletsjers, stijgen van de zeespiegel en overstromingen, tekorten aan zoet water, oceaanverzuring, steeds meer stormen, verlies van biodi­versiteit, ecocides (vernietiging van ecologische condities met als gevolg massale sterfte), mondiale toename van vluchtelingen en de reactie van welvarende staten: versterking van staatsgrenzen om vluchtelingen buiten te houden.

Omdat olie- en gaswinning steeds meer kosten met zich meebrengt (makkelijk te ontginnen velden raken uitgeput), het gebruik van steenkool met het oog op klimaatverandering moet worden afge­bouwd en het energiegebruik blijft toenemen, wordt olie steeds meer gewonnen uit teerzanden en landbouwgewassen en wordt steeds meer schaliegas gewonnen. De gevolgen zijn vernietiging van natuur, vergiftiging van het milieu en verdringing van voedselproductie door agrobrandstofproduc­tie, met name in arme landen.

Het bezwaar van de auteurs tegen groene economie is dat er wordt uitgegaan van de opvatting dat wij er allemaal (rijk en arm) belang bij hebben de economie te vergroenen en dat er geen belangen­tegenstellingen bestaan die effectieve energie- en klimaatmaatregelen in de weg staan. Scheve machtsverhoudingen en sociale ongelijkheid zouden niet relevant zijn, terwijl die het juist zijn die maken dat er geen noodzakelijke maatregelen worden genomen en dat de kosten van de maatrege­len dié er genomen worden, worden afgewenteld op de minst draagkrachtigen. Volgens de auteurs is het daarom zaak belangentegenstellingen en scheve machtsverhoudingen bloot te leggen. Veel groe­ne partijen en organisaties kiezen echter voor overleg en samenwerking met de machtigen gericht op vergroening van de markteconomie.

Wat hebben de auteurs precies tegen vergroening van de markteconomie? Dat het de wortel van het kwaad niet aanpakt: de ongebreidelde werking van het marktmechanisme. In lokaal verankerde eco­nomieën, waarin particulieren zich natuurlijke hulpbronnen niet toegeëigend hebben, kan vrije markt geen kwaad. De kleine schaal brengt met zich mee dat er voldoende terugkoppeling is: men­sen kunnen meteen zien wat de gevolgen zijn van hun handelen voor de natuur en de medemens en kunnen daarop aangesproken worden. Particuliere toeëigening van natuurlijke hulpbronnen en de ontwikkeling van grootschalige vrije markten maakt gevolgen van economisch handelen voor na­tuur en medemens echter onzichtbaar. Bijgevolg kan men winst, efficiency en groei najagen zonder oog in oog te hoeven staan met de roofbouw en de uitbuiting die daar het gevolg van zijn. “Het gro­tere plaatje blijft zo vaak onzichtbaar.”

Waar vergroening van de markteconomie toe leidt, wordt geïllustreerd met voorbeelden ontleend aan het systeem van de emissiehandel waartoe in Kyoto (1997) werd besloten. Bij het opzetten daarvan kregen bedrijven emissierechten naar de mate waarin zij jaarlijks tonnen CO2 uitstootten. De bedoeling was om het jaarlijks te verstrekken aantal emmissierechten geleidelijk af te bouwen. Bedrijven die hun CO2-uitstoot effectief terugdringen, zouden emissierechten overhouden en mogen verkopen. Die zouden dan gekocht kunnen worden door bedrijven die tekortkomen omdat zij min­der of geen effectieve maatregelen nemen. Het systeem geldt alleen voor de landen die het Kyoto-protocol hebben ondertekend, waardoor bedrijven kunnen dreigen zich te verplaatsen naar landen die het protocol niet hebben ondertekend. Er waren en zijn veel te veel emissierechten in omloop, doordat nationale staten bij het opzetten van het systeem de binnenlandse uitstoot overdreven (om de nationale industrie te beschermen). Controle op de juistheid van door nationale staten verschafte gegevens is nauwelijks mogelijk. Als voorbeeld wordt Polen genoemd, dat emissierechten claimde voor een niet bestaande industriële vestiging. Het systeem had en heeft slechts een miljardenhandel in emissierechten tot gevolg, maar draagt niet bij aan het terugdringen van de uitstoot.

Overigens, Kyoto-landen kunnen hun CO2-uitstoot ook compenseren door waar dan ook ter wereld te investeren in bosaanplant of het schoner maken van productieprocessen in landen waar grote ver­betering mogelijk is tegen relatief lage kosten. Bosaanplant in Uganda (waarvoor 6000 boeren wer­den verjaagd) leverde de nodige compensatie op om in Nederland nieuwe steenkoolcentrales te kun­nen bouwen. Wat het schoner maken betreft van productieprocessen in minder ontwikkelde landen geven de auteurs als voorbeeld: installaties om broeikasgassen te vernietigen die vrijkomen bij de productie van koelkasten leverden zo veel verhandelbare emissierechten op dat de productie van koelkasten bijzaak werd en enorm toenam. Ander voorbeeld: bij de productie van adipinezuur komt lachgas vrij (een broeikasgas dat 296 zo sterk is als CO2). De vernietiging van dat lachgas levert zo veel ‘koolstofkredieten’ op dat de productie van adipinezuur alleen al daarom interessant was en dus werd opgevoerd. De auteurs vermelden dat de Nederlandse regering plande voor de periode 2008 – 2012 twintig miljoen koolstofkredieten per jaar aan te kopen, waarmee de totale Nederlandse CO2-reductiedoelstelling zou kunnen worden afgekocht.

Ook in andere opzichten blijkt vergroening van de economie een illusie. Opslag van CO2 brengt het risico met zich mee van lekkages. Bij concentraties van 2% ontstaan al ademhalingsproblemen en concentraties van 7 à 10% zijn dodelijk. Kernenergie brengt ook veiligheidsrisico’s met zich mee. Niet alleen straling, maar ook de beschikbaarheid van kernwapens. Bovendien is de voorraad urani­um zo beperkt dat die snel zou zijn uitgeput. Bij de omvang het huidige gebruik (14% van de elek­triciteit wordt door kernenergie opgewekt) zou de voorraad binnen 80 jaar zijn uitgeput. Agrobrand­stof gaat ten koste van de voedselvoorziening en heeft ontbossing en verlies van biodiversiteit tot gevolg. Duurzame houtproductie (FSC) blijkt door het ontbreken van controle een grote klucht. Technologische vooruitgang (schone en zuinige motoren en installaties) blijkt ertoe te leiden dat er juist meer energie wordt gebruik en meer kilometers worden afgelegd (Jevons’ paradox). Bovendien wordt altijd over het hoofd gezien dat de productie van (nog) schonere en (nog) zuiniger installaties en motoren op zich voor veel extra CO2-uitstoot zorgt. De bouw van een schone, zuinige auto levert evenveel CO2-emissie op als er meerdere jaren in rondrijden. Afremmen van de bevolkingsgroei blijkt niet te werken, althans niet zonder dat er eerst een minimaal welvaartsniveau gegarandeerd is. Tenslotte is er de optie van de individuele gedragsverandering. Daarvan menen de auteurs dat dat als uitdrukking van betrokkenheid natuurlijk heel goed is, maar dat het structureel niets oplost.

De conclusie is dat het substantieel terugdringen van energiegebruik en welvaartsniveau de enige optie is, wat alleen mogelijk is als tegelijk de ongelijke verdeling van welvaart wordt bestreden. On­der het motto meer groen, minder economie pleiten de auteurs met name voor de ontprivatisering van kennis, software, natuur, publieke ruimten, natuurlijke hulpbronnen (bv. water, schone lucht, bossen, weidegronden), zodat ze geen object van winstbejag meer kunnen zijn. Het gemeenschap­pelijk gebruik van middelen maakt een grote reductie mogelijk van energie en grondstoffengebruik. Auteurs pleiten verder voor uitbreiding van hergebruik (ruilbeurzen), terugdringen van automobili­teit ten gunste van openbaar vervoer, decentrale energievoorziening (windmolens en zonnepanelen), stadsmoestuinen en herbebossing. Als voorbeeld worden de maatregelen genoemd die Cuba moest nemen toen de olieleveranties door de Sovjet-Unie stopten, waardoor Cuba het enige min of meer ontwikkelde land ter wereld is met een ‘duurzame ecologische voetafdruk’ (WWF).

In het slothoofdstuk gaan de auteurs in op de vraag wat actieve burgers zelf kunnen doen om het on­heil te keren. De boodschap is dat zij dat niet van de overheid en de machtigen moeten verwachten en dat dus burgerlijk verzet en actie geboden zijn. En dat die heel wat tot stand kunnen brengen. Een optimisme dat de auteurs menen te kunnen ontlenen aan wat er in het verleden allemaal bereikt is met stakingen, vakbondsacties en verzet van arbeiders en studenten (jaren ’68) en met acties van de plaatselijke bevolking in bv. Niger, Bolivia, Venezuela en Zuid-Mexico tegen olie-uitbuiting en landroof i.v.m. de productie van agrobrandstof. De auteurs bepleiten solidarisering met arbeiders in ongezonde en schadelijke industrieën, met het ecologisch proletariaat in arme landen en met kli­maatvluchtelingen. “Inheemsen zijn de voorhoede in de strijd om de planeet te redden”.

De mythe van de groene economie is een boek dat rijk is aan informatie, met uitgebreide en interes­sante literatuurverwijzingen. Een boek dat je paar keer moet lezen om eruit te halen wat er in zit. Dat klimaatverandering en ecocide zouden kunnen worden bestreden met maatregelen die passen in een vrije markteconomie is een opvatting waar de auteurs veel steekhoudende argumenten tegen aanvoeren. Wie gelooft dat de overheid bereid en in staat is om tijdig en krachtig in te grijpen om het onheil te keren, moet daar na het lezen van het boek toch erg aan gaan twijfelen. Het is dus heel goed dat de auteurs oproepen tot verzet, burgerlijke ongehoorzaamheid en acties.

Wat echter in het boek ontbreekt, is een hoofdstuk waarin een verklaring wordt gegeven voor het feit dat de overheid het zo verschrikkelijk laat afweten en noodzakelijke maatregelen juist in de weg staat. Een verkla­ring die duidelijk maakt waarom de overheid voornamelijk de belangen behartigt van machtige economische actoren. Verzet, acties en burgerlijke ongehoorzaamheid kunnen alleen effectief zijn als burgers de overheid niet langer zien als onafhankelijke hoeder van het algemeen belang, maar als nauw vervlochten met machtige economische actoren en als zodanig als tegenstander in de strijd tegen klimaatverandering en milieuvernietiging.